Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(4)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Rijnvarende X (belanghebbende) werkte in 2012 voor een Zwitserse werkgever op een binnenvaartschip. Het schip had een in Nederland gevestigde exploitant. In verband met dubbele afdracht en/of heffing van sociale premies heeft X de SVB verzocht om met de daartoe voor Zwitserland bevoegde autoriteit een regularisatieovereenkomst te sluiten over het jaar 2012. De SVB heeft het verzoek afgewezen.

X heeft beroep en hoger beroep ingesteld.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) oordeelt dat de minister in dit geding is aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit. De minister heeft de SVB met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 machtiging en volmacht verleend. De CRvB gaat er in dit geding van uit dat de SVB mede namens de minister heeft gehandeld.

Evenals Rechtbank Noord-Holland onderschrijft de CRvB de stelling van de SVB dat X, na de ontvangst van een aan hem gerichte brief van de Belastingdienst van 6 januari 2011, had kunnen weten dat op hem over 2012 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is en dat premieafdracht in Nederland moet plaatsvinden. Van (andere) bijzondere omstandigheden, die de SVB aanleiding hadden moeten geven om een regularisatieprocedure te starten over de periode 1 januari 2012 tot 17 oktober 2012, is de CRvB niet gebleken. De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.

De SVB heeft te kennen gegeven bereid te zijn om, in samenspraak met X, de voor Zwitserland bevoegde autoriteit te vragen om restitutie van over 1 januari 2012 tot 17 oktober 2012 voor X in Zwitserland afgedragen premies, zodat een dubbele premieafdracht ten laste van betrokkene wordt voorkomen of wordt ongedaan gemaakt.

Omdat pas in hoger beroep het benodigde onderzoek naar mogelijke bijzondere omstandigheden is gedaan, moet de SVB de proceskosten van X vergoeden.

Deze noot heeft tevens betrekking op de gelijkluidende uitspraken van dezelfde datum (NLF 2020/0260 en NLF 2020/0261).

Op 19 december 2019 heeft de Centrale Raad van Beroep een uitspraak gedaan over een Rijnvarende die om een regularisatieprocedure verzoekt. De categorie Rijnvarenden kent een groot aantal rechtszaken. De betrokkene in de hier te bespreken zaak werd voor de periode van 1 januari 2012 tot 17 oktober 2012 geconfronteerd met een dubbele premiebetaling, te weten in Zwitserland omdat zijn werkgever in Zwitserland is gevestigd en in Nederland op grond van het feit dat de exploitant van het geschil in Nederland was gevestigd. Op 6 januari 2011 ontving betrokkene een brief van de Belastingdienst met de mededeling dat hij in Nederland is verzekerd; de brief had betrekking op het jaar 2008. Vanaf 17 oktober 2012 is de exploitatie van het schip overgegaan naar een Zwitserse onderneming en is de verzekeringsplicht vanaf die datum aan Zwitserland toegewezen. Betrokkene heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB), als bevoegd orgaan in dezen, verzocht om een zogenoemde artikel 13-procedure met de Zwitserse autoriteit op te starten om een regularisatieovereenkomst te sluiten zodat hij uitsluitend verzekerd is in Zwitserland.

Regularisatieovereenkomst en machtiging

Rubriek(en)
Sociale verzekeringen
Belastingtijdvak
2012
Instantie
CRvB
Datum instantie
19 december 2019
Rolnummer
18/575
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:4215
Auteur(s)
Marjon Weerepas
Maastricht University
NLF-nummer
NLF 2020/0232
Aflevering
23 januari 2020
Judoreg
NFB3013
bwbv0004081&artikel=1

X