Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(402)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(19)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

De vader van X (hierna: erflater) is in 2017 overleden. Erflater heeft in zijn testament X (belanghebbende) als enige erfgename benoemd en een derde als executeur van het testament. X heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.


De executeur van de nalatenschap heeft geweigerd het bedrag van de nalatenschap uit te betalen aan X.


In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht en naar een juist bedrag aan X is opgelegd. Na bezwaar is de aanslag opgelegd naar een waarde van de nalatenschap van € 325.000, een belaste verkrijging van € 304.791 en een te betalen bedrag van € 48.730.


Rechtbank Den Haag oordeelt dat de aanslag erfbelasting terecht aan X is opgelegd. Dat de executeur het bedrag van de nalatenschap niet heeft uitbetaald doet daar niet aan af.


Aangezien X de vereiste aangifte niet heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd. De Rechtbank acht de schatting waarop de aanslag is gebaseerd niet redelijk. Op basis van de door de Inspecteur verstrekte gegevens is naar het oordeel van de Rechtbank een schatting van de waarde van de nalatenschap van € 282.069 redelijk. Een lagere waarde van de nalatenschap is door X niet aangetoond. De aanslag wordt verminderd tot een belaste verkrijging van € 261.860 (€ 282.069 -/- € 20.209 vrijstelling).

Rubriek(en)
Schenk- en erfbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
12 juli 2021
Rolnummer
20/2583
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:7995
NLF-nummer
NLF 2021/2091
Aflevering
4 november 2021
bwbr0002226&artikel=66,bwbr0002320&artikel=27e

X