Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(21)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(1)
  • Recent(2)

De Europese Commissie (de Commissie) heeft het HvJ verzocht vast te stellen dat de Republiek Oostenrijk,

1) door voor werknemers wier kinderen permanent in een andere lidstaat verblijven een aanpassingsmechanisme in te voeren voor de kinderbijslag en het bedrag van de kinderaftrek, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens: artikel 4, 7 en 67 Verordening 883/2004, betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011, betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, en:

2) de krachtens artikel 7, lid 2, Verordening 492/2011 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door voor migrerende werknemers wier kinderen permanent in een andere lidstaat verblijven, een aanpassingsmechanisme in te voeren voor de gezinsbonus 'plus', de eenverdienersaftrek, de eenouderaftrek en de alimentatieaftrek.

De Commissie is in wezen van mening dat het Unierecht, bij de huidige stand ervan, de lidstaten geen beoordelingsmarge laat om het bedrag van de door hen uitgekeerde gezinsbijslagen aan te passen aan het prijsniveau van de woonstaat van het betrokken kind en dat die aanpassing, alsmede de aanpassing van bepaalde aan gezinnen toegekende fiscale voordelen, discriminerend is en niet kan worden beschouwd als noodzakelijke en evenredige maatregel.

Het HvJ heeft de Commissie in het gelijk gesteld. Oostenrijk wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie. Conform conclusie A-G Richard de la Tour, ECLI:EU:C:2022:45.

Rubriek(en)
Sociale verzekeringen
Belastingtijdvak
2018 e.v.
Instantie
HvJ
Datum instantie
16 juni 2022
Rolnummer
C-328/20
ECLI
ECLI:EU:C:2022:468
bwbv0001506&artikel=45

X