Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(9)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (belanghebbende) en Y zijn in 2014 gescheiden. Zij waren buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd. X en Y woonden in een woning (hierna: de woning) die volledig eigendom was van Y. X heeft met ingang van 1 juni 2013 de woning verlaten. Per 1 december 2013 heeft X zich uitgeschreven van het woonadres.

Op de woning (en een andere woning in aanbouw in België) rustte(n) hypothecaire geldlening(en), waarvoor X en Y beiden hoofdelijk aansprakelijk waren. X heeft alle rente van de hypothecaire geldlening(en) betaald.

Partijen hield in hoger beroep onder meer verdeeld of X over de maand december 2013 50% van de hypotheekrente voor de woning in aftrek kan brengen.

Per 1 december 2013 heeft X zich uitgeschreven van het woonadres en daarmee is het fiscaal partnerschap geëindigd, aangezien op een eerder moment het verzoek tot echtscheiding is ingediend. De vraag is of X desondanks nog steeds onder de scheidingsregeling valt van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001. Dat is volgens Hof Den Bosch het geval. Het Hof heeft geoordeeld dat de tekst van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 geen steun biedt voor de opvatting dat hypotheekrenteaftrek alleen kan worden verleend indien, na het einde van het fiscaal partnerschap, de belastingplichtige (mede)eigenaar is van de woning. Het vereiste van eigendom staat niet in de wettekst en lid 4 bepaalt niet dat de vereisten van lid 1, onderdeel a, onverkort van toepassing zijn, aldus het Hof. Ook de strekking en de wetsgeschiedenis van de regeling bieden volgens het Hof geen steun voor een dergelijke opvatting.

De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld.

Het komt A-G Niessen voor dat in cassatie alleen in geschil is of voor X per 1 december 2013 (want de renteaftrek in de periode 1 juni tot 1 december kan niet tot cassatie leiden) ten aanzien van de woning sprake is van een eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001. De A-G meent dat de letterlijke interpretatie van de wet hier gevolgd dient te worden en dat X daarom een vorm van eigendom dient te bezitten om voor toepassing van artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 in aanmerking te komen. De woning wordt voor hem niet aangemerkt als eigen woning. De A-G concludeert tot gegrondverklaring van het cassatieberoep.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2013
Instantie
A-G
Datum instantie
28 maart 2022
Rolnummer
21/01146
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:360
Auteur(s)
Jelle van den Berg
Duoberg Consultants
NLF-nummer
NLF 2022/0818
Aflevering
28 april 2022
Judoreg
NFB4966
bwbr0011353&artikel=3.111&lid=4,bwbr0011353&artikel=3.111&lid=4

X