Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(31)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(3)

De einduitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (26 november 2020, 18/6431, ECLI:NL:RBZWB:2020:5900, NLF 2020/2805) betreft een uitspraak na een eerdere tussenuitspraak waarbij de gemachtigde is geweigerd, echter zonder dat deze in de gelegenheid was gesteld om op het voornemen daartoe te reageren. Volgens de Rechtbank is X (belanghebbende) hierdoor niet benadeeld zodat geen aanleiding bestaat tot heropening en heroverweging van de weigeringsbeslissing.

Hoewel het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en X terugwijzing wenst, voorziet de Rechtbank zelf in de zaak. De ‘artikel 30ha AWR’-rentevergoeding (€ 34) die door de Inspecteur is berekend op basis van het in artikel 30hb AWR bedoelde percentage van belastingrente voldoet aan het doeltreffendheidsbeginsel (vgl. HR 28 januari 2022, 21/00331, ECLI:NL:HR:2022:89, NLF 2022/0360, met noot van Vetter). De Rechtbank gaat er veronderstellenderwijs van uit dat het arrest Sole-Mizo (HvJ 23 april 2020, C-13/18, ECLI:EU:C:2020:292, NLF 2020/1124, met noot van Cornielje) ook van toepassing is op een teruggaaf van BPM zoals in dit geval. Omdat X zich op schending van het doeltreffendheidsbeginsel beroept, ligt het op zijn weg om daarvoor de relevante gegevens aan te dragen, zoals tarieven van commerciële banken en een inzichtelijke renteberekening. X heeft dat niet gedaan. Er is ook geen aanleiding om daar onderzoek naar te doen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de rente over een langere periode is vergoed dan waarin de AWR voorziet en waarvan ook X uitging. Er is daarom geen aanleiding om de rentevergoeding hoger vast te stellen dan € 34.

X heeft recht op een immateriële schadevergoeding. Uitstel van de zitting in verband met maatregelen rondom het coronavirus is geen aanleiding voor verlenging van de redelijke termijn. Uitstel van de zitting door de omstandigheid dat X een nieuwe gemachtigde moest zoeken wel. Dit uitstel was toerekenbaar aan de gemachtigde en daarmee aan X.

Het verzoek van de Inspecteur om X te veroordelen in de proceskosten omdat kennelijk onredelijk gebruik wordt gemaakt van procesrecht, wordt afgewezen.

Tegen dit oordeel heeft X met de volgende grieven hoger beroep ingesteld bij Hof Den Bosch:

  1. Is de beslissing van de Rechtbank om A als gemachtigde te weigeren strijdig met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
  2. Heeft X recht op een (hogere) rentevergoeding over de teruggaaf van BPM?
  3. Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ?
  4. Is van X terecht griffierecht geheven?
  5. Heeft X recht op vergoeding van (wettelijke) rente over het griffierecht?
  6. Heeft de Rechtbank de (proceskosten)vergoeding op een te laag bedrag vastgesteld?
  7. Dient op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die in de hoofdzaak heeft beslist?

Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Het Hof ziet voorts geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden en oordeelt ten slotte dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Autobelastingen
Belastingtijdvak
1 april 2015 tot 1 oktober 2018
Instantie
Hof Den Bosch
Datum instantie
30 maart 2022
Rolnummer
20/00724
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2022:1039
NLF-nummer
NLF 2022/0854
Aflevering
28 april 2022
bwbr0002320&artikel=30ha,bwbr0002320&artikel=30ha,bwbr0002320&artikel=30hb,bwbr0002320&artikel=30hb

X