Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Volgens Fred van Horzen is het persbericht dat Tweede Kamerlid Bart Snels (GroenLinks) op 12 maart 2021 de wereld instuurde over het IBFD-rapport ‘Comparative research on (conditional) exit withholding taxes’ misleidend, omdat het een claim bevat die bij nadere bestudering niet hard kan worden gemaakt. In plaats van de confrontatie te zoeken met de advieswereld zou Snels er volgens Van Horzen verstandig aan doen om de dialoog te zoeken.

Persbericht Bart Snels

Op 12 maart verscheen de lang verwachte nota naar aanleiding van het verslag bij het initiatiefwetsvoorstel van Bart Snels. Dit stuk werd vergezeld door een nota van wijziging en bevatte als bijlage een uitvoerige studie van het IBFD naar de vraag of andere landen een vergelijkbaar regime kenden zoals neergelegd in het voorstel.

Snels kwam ook met een persbericht naar buiten. Daarin viel te lezen:

‘De kritiek vanuit de fiscale lobbywereld dat Nederland met de introductie van een exit-heffing internationaal gezien een uitzondering wordt, blijkt ongegrond. Het is fijn dat er nu een rapport ligt van onafhankelijke experts, dat laat zien dat een exit-heffing juridisch mogelijk is. Als grote bedrijven vertrekken uit Canada, Frankrijk en Zwitserland moeten ze eerlijk belasting betalen. Het is de hoogste tijd dat Nederland dit overneemt.’

Snels verzuimt te melden dat bijvoorbeeld de NOB al in januari 2020, dus nog vóórdat Snels zijn voorstel had ingediend, heeft onderzocht dat onder andere Canada en Frankrijk een exitheffing dividendbelasting kennen.1 Uit dat onderzoek blijkt tevens dat die heffingen inhoudelijk niet of nauwelijks zijn te vergelijken met de later in het voorstel van Snels voorgestelde heffingen. Afgezien daarvan, door personen die inhoudelijke kritiek hebben geleverd op het voorstel te ‘framen’ als ‘de fiscale lobbywereld’ geeft Snels aan dat hij de publicitaire lijn die hij inzette met zijn inhoudelijk niet onderbouwde kritiek op ‘dubbele petten’ van fiscale hoogleraren, voort wil zetten en verder wil escaleren. Dat is kwalijk en jammer want dat komt de sfeer van een fiscaal inhoudelijk debat over de voors en tegens van zijn voorstel niet ten goede. Belastingadviseurs komen op voor de belangen van belastingplichtigen. Je zou toch verwachten dat de toeslagenaffaire duidelijk heeft gemaakt dat je belastingplichtigen niet onbeschermd en zonder tegenmacht over mag laten aan de grillen van de politiek. Snels loopt daarnaast het risico dat personen die het ook niet zo nauw nemen met de goede omgangsvormen hem gaan framen als lid van de biomassalobby of van de haat zaaiende takswappielobby.

Het IBFD-onderzoek

Als het rapport van de IBFD wordt doorgenomen dan blijkt dat de inhoud er toch wat anders uitziet dan Snels ons wil laten geloven.

Zoals bekend wil Snels een conditionele heffing invoeren bij een:

  • verplaatsing van de feitelijke leiding;
  • juridische fusie;
  • juridische (af)splitsing;
  • aandelenruil waarbij de overnemer meer dan de helft van de zeggenschap in de in Nederland gevestigde vennootschap krijgt.

De onderzoeksopdracht is in het rapport van het IBFD als volgt geformuleerd (p. 4):

‘Does your country impose (a conditional) dividend withholding tax on undistributed profits when a company transfers its residence from your country to another State (e.g. due to a migration or a cross border merger or demerger.’

Het probleem van die opdracht zit in het gebruik van de woorden ‘merger’ en ‘demerger’. Het gaat hier om ‘hybride’ begrippen die een veelheid aan transacties kunnen omvatten, afhankelijk van de vraag in welke jurisdictie je de vraag neerlegt. Dat is iets wat iedere fiscalist werkzaam in de praktijk weet. Door de onderzoeksvraag zo te formuleren maak je het onderzoeksresultaat al bij voorbaat onbruikbaar. Ik denk dat een hoogleraar met een dubbele pet zich bij het formuleren van de onderzoeksvraag strikt aan de tekst van het voorgestelde artikel 3c Wet DB 1965 zou hebben gehouden en ook zou hebben aangegeven wat we in Nederland precies bedoelen met een juridische fusie, een (af)splitsing en een aandelenruil.

Een kort overzicht van de relevante landen uit het IBFD rapport

Canada: heft bij zetelverplaatsing. Maar niet bij een grensoverschrijdende fusie, want civielrechtelijk kan niet grensoverschrijdend worden gefuseerd. De juridische (af)splitsing wordt niet behandeld. Een aandelenruil (al dan niet grensoverschrijdend) wordt evenmin behandeld in het rapport.

Frankrijk: heft bij zetelverplaatsing maar niet binnen de EU of naar IJsland of Noorwegen. Bij een grensoverschrijdende fusie (ook met een buiten de EU gevestigde overnemer) kan onder voorwaarden een beroep worden gedaan op vrijstellingen. Over de vraag wat die voorwaarden dan zijn, zwijgt het rapport. Hoe het beeld is bij (af)splitsingen is ook niet duidelijk. Het rapport gaat niet in op de gevolgen van een aandelenruil.

Denemarken: heft bij zetelverplaatsing. Bij een grensoverschrijdende fusie wordt alleen geheven bij fusies als de fusie plaatsvindt met een groepsvennootschap buiten de EU. Hoe het beeld is bij (af)splitsingen is niet duidelijk. Het rapport gaat niet in op de gevolgen van een aandelenruil.

Zwitserland: heft bij zetelverplaatsing. Volgens het rapport gebeurt dat ook bij een grensoverschrijdende juridische fusie. In dat verband wordt verwezen naar artikel 4.2 van het ‘Bundesgesetz über die Verrechnungssteuer’. De tekst van die bepaling is niet opgenomen in het rapport. Een snelle zoektocht op internet bracht mij na twee keer klikken bij de betreffende bepaling. Daar wordt alleen gerefereerd aan ‘die Verlegung des Sitzes’ van een AG, GmbH of coöperatie naar het buitenland. Ik waag dan ook te betwijfelen of een grensoverschrijdende juridische fusie onder de werking van deze bepaling valt. Hoe het beeld is bij (af)splitsingen, is wederom niet duidelijk. Het rapport gaat ook weer niet in op de gevolgen van een aandelenruil.

Het opmerkelijke aan de paragraaf over Zwitserland, is dat de schrijver zich beklaagt over de tijdsdruk waaronder het onderzoek plaats moest vinden (p. 42 bovenaan). Dat roept bij mij de vraag op waar die tijdsdruk dan vandaan kwam. Was Snels er alles aan gelegen om nog vóór het laatste weekend voor 17 maart iets te hebben waarmee zijn partij goede sier kon maken om zo nog last minute de aandacht af te leiden van het desastreuze optreden van Jesse Klaver op 8 maart bij Nieuwsuur dat werd gevolgd door de vernietigende kritiek van Arthur van Amerongen in HP/DeTijd (‘Het grote Jesse Klaver uitzwaaifeest’) en Marcel van Roosmalen op NPO 1 (‘GroenLinks heeft de wereld niet mooier of beter gemaakt’)? Als ik de opdrachtgever van deze studie zou zijn geweest, zou ik na ontvangst nog een aantal vervolgvragen hebben gesteld alvorens de inhoud met een juichend persbericht over de schutting te gooien. Bijvoorbeeld: ‘Wat bedoelen jullie precies met de begrippen ‘merger’ en ‘demerger’? Valt een juridische (af)splitsing of een aandelenruil daar ook onder?’ Hoe dit ook zij, wie beweert dat uit het rapport van het IBFD kan worden afgeleid dat het wetsvoorstel internationaal niet uit de pas loopt, belooft meer dan kan worden waargemaakt.

De vergeten binnenlandse aandeelhouders

Het voorstel wordt bij voortduring gepresenteerd als onderdeel van de strijd tegen internationale belastingontwijking door multinationals die niet eerlijk hun belasting zouden betalen. Dat is in ieder geval onjuist als het voorstel wordt bezien vanuit het perspectief van de in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders. Ten aanzien van in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders kan er geen sprake zijn van ontwijking van dividendbelasting omdat in binnenlandse verhoudingen de dividendbelasting geen zelfstandige heffing is. Een verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap naar het buitenland, een grensoverschrijdende juridische fusie, een grensoverschrijdende (af)splitsing of een grensoverschrijdende aandelenruil leidt er ook niet toe dat op het niveau van de betreffende in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders IB- of vpb-claims verloren gaan.

Voor vpb-plichtigen die met betrekking tot hun bezit geen aanspraak kunnen maken op de deelnemingsvrijstelling en voor box 1- en box 2-aandeelhouders is het beeld als volgt:

  • Verplaatsing werkelijke leiding: er vindt geen afrekening plaats, dividenden en vervreemdingswinsten blijven beclaimd met Nederlandse vpb/IB. Er gaan derhalve geen claims verloren.
  • Juridische fusie: geldt als een belaste vervreemding met onder voorwaarden de mogelijkheid van geruisloze doorschuiving. Dividenden en vervreemdingswinsten met betrekking tot aandelen in de overnemer zijn beclaimd met Nederlandse vpb/IB. Er gaan derhalve geen claims verloren.
  • (Af)splitsing: zie juridische fusie.
  • Aandelenruil: zie juridische fusie.

Voor box 3-aandeelhouders: alle transacties die onder het voorgestelde artikel 3c Wet DB 1965 vallen zijn irrelevant. De aandelen in de verplaatste vennootschap en de aandelen in de overnemende vennootschap na een juridische fusie, een (af)splitsing of een aandelenruil worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer op de relevante peildatum. Er gaan geen claims verloren.

Samenvattend: voor in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders valt er niets te ontwijken ter zake van de handelingen die worden bestreken door het voorgestelde artikel 3c Wet DB 1965 omdat er geen Nederlandse claims verloren gaan.

Mogelijke schade voor de schatkist en pensioenfondsen

Als het voorstel wordt aangenomen, kan dat er echter toe leiden dat de Nederlandse schatkist er in ieder geval op korte termijn op achteruitgaat ten opzichte van de situatie dat het voorstel niet zou worden aangenomen. Dat houdt verband met het volgende. Er ontstaat als gevolg van het zich voordoen van het belastbare feit van artikel 3c Wet DB 1965 een verhaalsrecht op de aandeelhouders voor de opgelegde conserverende naheffingsaanslag dividendbelasting. Bij overdracht van de aandelen zal een koper daar rekening mee houden, bijvoorbeeld omdat deze niets kan met de op hem te verhalen dividendbelasting. Het ligt derhalve voor de hand dat de in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders van de vennootschap, bij vervreemding van hun aandelen minder zullen ontvangen dan het geval zou zijn geweest als er geen conserverende naheffingsaanslag dividendbelasting zou zijn opgelegd. Dat betekent dat er bij de verkoop van de aandelen een lagere belastbare bate zal worden gerealiseerd door de in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouder dan in de situatie dat er geen conserverende aanslag zou zijn opgelegd in overigens gelijke situaties. Bij box 3-aandeelhouders treedt dit waardedrukkende effect waarschijnlijk al onmiddellijk op na de verplaatsing, fusie, (af)splitsing of aandelenruil. Of deze potentiële dip in de IB- of vpb-opbrengst uiteindelijk door de Nederlandse schatkist wordt goedgemaakt bij de inning van de opgelegde conserverende aanslag, hangt helemaal af van de vraag hoe realistisch de inning van die aanslag is, mede in het licht van de verdrags- en EU-rechtelijke problematiek die het voorstel oproept.

Afgezien van de directe IB- of vpb-gevolgen, verdient het ook aanbeveling om te kijken welke gevolgen deze waardedaling zal hebben op de bezittingen van bijvoorbeeld Nederlandse pensioenfondsen, denk aan Nederlandse beursfondsen. Zoals gezegd, ligt het voor de hand er rekening mee te houden dat het aannemen van het voorstel zal resulteren in een waardedrukkend effect op aandelen in Nederlandse beursfondsen. Wil GroenLinks het op haar geweten hebben dat Nederlandse werknemers op hun pensioenen worden gekort omdat de fondsen in verband met de door het voorstel veroorzaakte waardedaling van hun aandelenbezit nog verder door hun dekkingsgraad zakken? Moeten de werknemers niet alleen hun bossen in een biomassacentrale zien verdwijnen, maar ook hun pensioenen in rook op zien gaan?

Hoe nu constructief verder?

Mede in het licht van het onderzoek van het IBFD en in het licht van het feit dat er geen reden is om in Nederland wonende of gevestigde aandeelhouders direct of indirect te treffen, kan ik mij de volgende route voorstellen:

  • Verplaatsing van de feitelijke leiding: het voorstel wordt gehandhaafd voor zover de aandelen worden gehouden door niet in een EU/EER-lidstaat wonende of gevestigde aandeelhouders. Dit vereist wel een oplossing van de wetgever voor het feit dat beursvennootschappen niet bekend zijn met de woon- of vestigingsplaats van hun aandeelhouders, bijvoorbeeld conform de in 2018 tussen Nederland en Zwitserland gemaakte afspraken over de toekenning van verdragsvoordelen aan fbi’s.2
  • Grensoverschrijdende juridische fusie: het voorstel wordt onder verwijzing naar het antimisbruikcriterium in de Fusierichtlijn gehandhaafd in misbruiksituaties, zijnde situaties waarin de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan van dividendbelasting, voor zover de aandelen worden gehouden door niet in een EU/EER-lidstaat wonende of gevestigde aandeelhouders.
  • Grensoverschrijdende (af)splitsing: zie grensoverschrijdende juridische fusie.
  • Aandelenruil: schrappen als belastbaar feit uit het voorgestelde artikel 3c Wet DB 1965.
Afrondend

Het persbericht dat Snels op 12 maart de wereld instuurde over het IBFD-rapport is misleidend omdat het een claim bevat die bij nadere bestudering niet hard kan worden gemaakt. In plaats van de confrontatie te zoeken met de advieswereld zou Snels er mijns inziens verstandig aan doen om de dialoog te zoeken. Als belastingadviseurs zeggen: ‘pas op met je voorstel gelet op de jurisprudentie over het EU-recht en het verdragenrecht’ dan is het niet slim om dat af te doen als gelobby. Ik hoop dat de houding van Snels ten opzichte van de belastingadvieswereld snel verbetert. Nu er op de kieslijst van GroenLinks een met de Moslimbroederschap in verband gebrachte kandidaat staat, moet het toch ook geen probleem opleveren om een dialoog aan te gaan met fiscale ayatollahs? Zij zijn toch net als volksvertegenwoordigers dienstbaar aan de gerechtigheid (Romeinen 6:18)?

Rubriek(en)
Internationaal belastingrecht
Dividendbelasting
Auteur(s)
Fred van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF Opinie 2021/8
Judoreg
NFB4187
Publicatiedatum
17 maart 2021

X