Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

X (belanghebbende) drijft een handelsonderneming, sinds 1 januari 2013 in de vorm van een stille maatschap. De andere maat is zijn dochter. X en zijn echtgenote zijn paardenliefhebbers. X heeft op enig moment voor zijn dochter twee pony’s gekocht, waarmee de dochter trainde bij een vereniging en meedeed aan wedstrijden en concoursen. In 2007 heeft X voor zijn dochter een paard met de naam Z gekocht voor een bedrag van € 12.500. Vanaf 2012 werden Z en de dochter door een professionele trainer getraind. In 2013 maakte de dochter met Z haar internationale debuut tijdens een wedstrijd. X handelde in de periode dat hij eigenaar was van Z niet in paarden en/of pony’s. De dochter is op 1 augustus 2009 een eenmanszaak gestart waarin zij zich bezighoudt met het berijden, stallen en trainen van paarden. Paard Z stond gestald in een box van X zelf en X betaalde het voer en andere kosten voor Z. X heeft paard Z in oktober 2014 verkocht voor een bedrag van € 1.300.000.

Rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld dat de Inspecteur de nettoverkoopopbrengst van paard Z ten onrechte heeft belast als resultaat uit overige werkzaamheden (row).

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld maar Hof Arnhem-Leeuwarden verklaart dat ongegrond.

Het Hof acht aannemelijk dat de aankoop van Z, het berijden en trainen van Z en het meedoen aan wedstrijden van aanvang af was gericht op het plezier dat daaraan door de dochter kon worden beleefd en niet op de (theoretische) mogelijkheid daarmee in de toekomst financiële voordelen te behalen. Die in de hobbysfeer liggende doelstelling veranderde niet bij de start van de onderneming van de dochter in 2009. Ook acht het Hof niet door de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de grote winst die uiteindelijk met de verkoop van Z is behaald, redelijkerwijs kon worden voorzien.

X heeft Z aan zijn dochter in bruikleen gegeven in het kader van haar hobby. Het moment waarop de dochter een eenmanszaak is gestart is het paard niet tot een werkzaamheidsvermogen van X gaan behoren. Alle stellingen van de Inspecteur worden verworpen.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2014
Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
Datum instantie
5 juli 2022
Rolnummer
21/00365; 21/00366
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:5840
NLF-nummer
NLF 2022/1394
Aflevering
21 juli 2022

Naar de bovenkant van de pagina