Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(13)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(3)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

X (belanghebbende) heeft per 1 september 2013 voor de duur van 60 maanden een huurovereenkomst gesloten met BVAB ter zake van een auto met Belgisch kenteken. Hierbij is bepaald dat X vooraf een waarborgsom betaalt van € 12.500 en een huurdepot van € 29.915. Uit dat huurdepot wordt gedurende de looptijd alle huur onttrokken. X is in de huurovereenkomst en op verzekeringspolissen vermeld als gebruikelijke bestuurder.


Op 23 september 2016 is de auto door X ingevoerd in Nederland en op naam van X gezet. Er is aangifte BPM gedaan voor de auto. De auto is op 10 oktober 2016, tegen creditering van de waarborgsom, verkocht door BVAB aan X.


In november 2018 hebben de Belgische autoriteiten de Inspecteur informatie over de auto verschaft. Dit heeft ertoe geleid dat aan X een naheffingsaanslag BPM is opgelegd voor een bedrag van € 4.555. Hierbij is rekening gehouden met de BPM die reeds op aangifte is voldaan. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van na bezwaar € 1.821.


In geschil is of de naheffingsaanslag en vergrijpboete terecht zijn opgelegd.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat X met de auto duurzaam gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg en dat de auto hem feitelijk ter beschikking stond. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Er is sprake van voorwaardelijke opzet zodat de vergrijpboete terecht is opgelegd. Deze wordt met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Rubriek(en)
Autobelastingen
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
14 oktober 2021
Rolnummer
19/3441;20/1064
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:5213
NLF-nummer
NLF 2021/2148
Aflevering
11 november 2021
bwbr0005806&artikel=1,bwbr0005806&artikel=12b

X