Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(7)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(3)
  • Recent(1)

X (belanghebbende) dreef met drie andere vennoten (1, 2 en 3) in vof-vorm een detailhandel in zuivelproducten en levensmiddelen.


Vennoot 3 is in 2010 uit de vof getreden en vennoot 2 in 2015. Op 20 juli 2016 zijn twee akten van verdeling opgemaakt: één akte voor de overdracht van het aandeel van vennoot 3 aan de voortzettende vennoten (X, vennoot 1 en vennoot 2) en één akte voor de overdracht van het aandeel van vennoot 2 aan de voortzettende vennoten (X en vennoot 1).


De Inspecteur stelt dat het uittreden van de vennoten heeft geleid tot verkrijgingen van economische eigendom van de tot de onderneming behorende onroerende zaak in de zin van artikel 2, lid 2, Wet BRV. In geschil zijn in verband hiermee aan X opgelegde naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting.


Op grond van de tekst van de firma-akte verkrijgen de voorzettende vennoten uitsluitend een recht op levering. Naar het oordeel van Rechtbank Gelderland vloeit evenwel uit de handelwijze van partijen voort dat zij aan de levering (in economische zin) kort na de uittreding van achtereenvolgens vennoot 3 en vennoot 2 uitvoering hebben gegeven. Vast staat dat vennoot 3 per 1 januari 2010 is uitgetreden uit de vof. Hij heeft zijn belang in de firma en daarmee zijn belang in de tot de onderneming behorende onroerende zaak overgedragen. Daarmee is ook enig risico op waardeverandering van de onroerende zaak overgegaan, alsmede het gebruiksrecht van de onroerende zaak. Voor het uittreden van vennoot 2 vijf jaar later geldt hetzelfde. Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Belastingen van rechtsverkeer
Belastingtijdvak
2010, 2015
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
25 juni 2021
Rolnummer
19/700
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2021:3225
bwbr0002740&artikel=2&lid=2

X