Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(10)
  • Jurisprudentie(158)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(24)
  • Recent(39)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

De door X (belanghebbende) en zijn echtgenote in box 3 verschuldigde inkomstenbelasting bedroeg over het jaar 2017 € 12.705, en over het jaar 2018 € 11.969. Het daadwerkelijk behaalde rendement van de bezittingen bedroeg in deze jaren respectievelijk € 6.612 en € 3.528. X heeft bezwaar gemaakt tegen de box 3-heffing over voornoemde jaren. De bezwaren maken deel uit van de massaalbezwaarprocedure. De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard. Het beroep van X betreft één van zes proefprocedures.

Rechtbank Gelderland heeft het beroep ongegrond verklaard.

X heeft sprongcassatieberoep ingesteld en betoogt dat de vermogensrendementsheffing in respectievelijk 2017 en 2018 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP en/of artikel 14 EVRM.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond. De Hoge Raad oordeelt dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt, in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Het nieuwe stelsel perkt het door artikel 1 EP gegarandeerde recht om vrij te beschikken over eigendom in, doordat het een verhoudingsgewijs zware financiële last verbindt aan de keuze om niet over te gaan tot het risicovol beleggen van vermogen. Ook is het discriminerend doordat degenen die pech hebben gehad met hun risicovolle beleggingen relatief zwaar worden belast.

Voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel is volgens de Hoge Raad geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die, zoals X in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.

De Hoge Raad ziet aanleiding X voor de schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel te bieden door te bepalen dat met betrekking tot de onderhavige jaren alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

De omstandigheid dat dit cassatieberoep voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor X op de zojuist genoemde wijze achterwege te laten.

Nagenoeg conform conclusie A-G Niessen (NLF 2021/2206, met noot van Brouwers). De A-G heeft op een andere wijze rechtsherstel voorgesteld door de vermogensmix van de box 3-heffing niet meer toe te passen.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017-2018
Instantie
HR
Datum instantie
24 december 2021
Rolnummer
21/01243
ECLI
ECLI:NL:HR:2021:1963
Auteur(s)
Sonja Dusarduijn
Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2022/0106
Aflevering
13 januari 2022
Judoreg
NFB4749
bwbr0011353&artikel=5.2,bwbv0001000&artikel=14,bwbv0001001&artikel=1

X