Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(10)
  • Jurisprudentie(129)
  • Commentaar NLFiscaal(4)
  • Literatuur(15)
  • Recent(24)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (belanghebbende) heeft bezwaar gemaakt tegen de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018.


De bezwaren maken deel uit van de massaalbezwaarprocedure. De Inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard. Het beroep van X betreft één van zes proefprocedures.


Rechtbank Gelderland heeft het beroep ongegrond verklaard.


X heeft sprongcassatieberoep ingesteld en betoogt dat de vermogensrendementsheffing in respectievelijk 2017 en 2018 op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP en/of artikel 14 EVRM.


A-G Niessen acht de klachten van X gegrond. Hij is van mening dat de regeling van box 3 als zodanig zoals deze vanaf 2017 geldt, op stelselniveau in strijd is met verdragsrechtelijk gewaarborgde grondrechten, te weten het recht op gelijke behandeling en het recht op eigendom. Anders dan de staatssecretaris meent de A-G dat de regeling evident elke redelijke grond ontbeert.


De A-G ziet een mogelijkheid om in het ontstane rechtstekort te voorzien. Van een rechtstekort is sprake indien en voor zover bij toepassing van de vermogensrendementsheffing op basis van de vermogensmix van een belastingplichtige een hoger bedrag aan belasting wordt geheven dan zonder toepassing van die vermogensverdelingsregel. Artikel 94 GW verlangt dat de vermogensmix niet meer wordt toegepast. Volgens de A-G is dat mogelijk door spaargelden cijfermatig af te zonderen van het overige vermogen dat dan ‘vanzelf’ als ‘restpost’ overblijft. Conform het wettelijk stelsel wordt het heffingsvrij vermogen naar evenredigheid verdeeld tussen ‘spaargelden’ en overig vermogen en van die bedragen afgetrokken. De dan resterende bedragen worden belast naar gelang van de in het betreffende jaar geldende percentages voor rendementsklasse I en II. Per saldo treedt dan niet alleen een vermindering van de heffing over ‘spaargelden’ op maar ook een verhoging van die over het overige vermogen.


De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van X gegrond dient te worden verklaard. Het geschil dient te worden verwezen naar een andere Rechtbank ter verdere behandeling.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017-2018
Instantie
A-G
Datum instantie
1 november 2021
Rolnummer
21/01243
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:1019
Auteur(s)
Corné Brouwers
Belastingdienst
NLF-nummer
NLF 2021/2206
Aflevering
25 november 2021
Judoreg
NFB4653
bwbr0011353&artikel=5.2

X