Direct naar content gaan

Samenvatting

Aan X (belanghebbende) zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De activiteiten van X bestaan uit bewindvoering. X wordt bij beschikking door de kantonrechter aangewezen als bewindvoerder (de aanwijzingsbeschikking) en ontvangt voor haar werkzaamheden een vergoeding.

In geschil is of de diensten van X zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB 1968 in combinatie met artikel 7, lid 1, Uitv.besl. OB 1968 en post b.33 van bijlage B.

X dient aannemelijk te maken dat haar activiteiten zijn te beschouwen als werkzaamheden op het gebied van schuldhulpverlening als bedoeld in post 33 van bijlage B en, indien dit aannemelijk is gemaakt, dat toepassing van de vrijstelling niet leidt tot ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen. Zij slaagt hierin niet. X maakt niet aannemelijk dat haar werkzaamheden in het kader van de schuldenbewindvoering alleen zien op schuldhulpverlening in de zin van de vrijstelling. De vraag of de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit schuldenbewindvoering behoeft daarom geen behandeling, aldus Rechtbank Den Haag.

X stelt tevergeefs dat de nationale regeling in strijd is met artikel 132, lid 1, onderdeel g, Btw-richtlijn.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Metadata

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2015-2017
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum instantie
5 maart 2020
Rolnummer
19/107, 19/152, 19/155, 19/160, 19/162 en 19/180
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:3029
NLF-nummer
NLF 2020/0927
Aflevering
16 april 2020
bwbr0002629&artikel=11&lid=1,bwbr0002633&artikel=7,bwbr0002633

Naar de bovenkant van de pagina