Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(11)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(1)
  • Recent(1)

X (belanghebbende) woonde het gehele jaar 2017 in België. De Inspecteur heeft X bij de aanslag IB/PVV 2017 niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt, met als gevolg dat de aftrek voor onderhoudsverplichtingen aan zijn ex-echtgenote niet in aanmerking is genomen. X heeft beroep ingesteld.

Partijen houdt verdeeld of X voldoet aan de zogenoemde inkomenseis van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het inkomen uit sparen en beleggen voor de toepassing van dit artikel moet worden gesteld op het door X werkelijk behaalde rendement op de spaartegoeden.

De Inspecteur heeft ter zitting ondubbelzinnig verklaard het door X gestelde werkelijke rendement van € 649 niet te betwisten. Het werkelijke rendement in 2017 staat dan vast (€ 649) en dat rendement is lager dan het in aanmerking te nemen rendement op grond van de vermogensmix zoals die uit de wet volgt (dat zou € 15.345 zijn). Rechtbank Zeeland-West-Brabant ziet gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het Box 3-arrest van 24 december 2021 (21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, NLF 2022/0106, met noot van Dusarduijn) in dit geval aanleiding om voor de inkomensdefinitie van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001 aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Voor dat geval is niet in geschil dat X kan worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De Inspecteur dient daarom rekening te houden met de algemene heffingskorting, het inkomstenbelastingdeel van de ouderenkorting en de alleenstaande-ouderenkorting.

Niet in geschil is dan dat X recht heeft op aftrek in verband met de onderhoudsverplichtingen ten aanzien van zijn voormalige echtgenote ter hoogte van € 14.160.

Ten aanzien van zijn huidige echtgenote, van wie X duurzaam gescheiden leeft, heeft X geen recht op aftrek in verband met onderhoudsverplichtingen. Reden hiervoor is dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat er behoeftigheid bestaat aan de zijde van zijn huidige echtgenote.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
4 mei 2022
Rolnummer
21/12
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2022:2465
NLF-nummer
NLF 2022/0969
Aflevering
19 mei 2022
bwbr0011353&artikel=7.8&lid=6,bwbr0011353&artikel=7.8&lid=6

X