Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Zzp’ers hebben een belangrijke positie op de arbeidsmarkt. Het is wel belangrijk dat zzp’ers om de juiste redenen kiezen voor het zzp-schap en er niet eigenlijk sprake is van een arbeidsrelatie. De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) heeft voor die laatste vraag geen helderheid geschapen, maar juist onrust gebracht waardoor te veel echt zelfstandige ondernemers zijn geraakt. Met name aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt is nog steeds sprake van schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden. De Wet DBA wordt daarom vervangen. De contouren van de plannen van het kabinet zijn zichtbaar, maar volgens Felix Peppelenbosch heeft Rutte III op dit punt de wijsheid niet in pacht. Bovendien zal een nieuwe Wet DBA met veel kunst- en vliegwerk op zijn vroegst in 2020 worden ingevoerd en dan zijn er al weer bijna nieuwe verkiezingen.

In de Wet DBA zijn opdrachtgever en opdrachtnemer (zzp’er) samen verantwoordelijk voor de fiscale gevolgen als de Belastingdienst oordeelt dat er sprake is van een dienstverband. Met een modelovereenkomst kunnen zij dit voorkomen. De handhaving van de Wet DBA is uitgesteld tot 1 juli 2018, maar dat uitstel zal zeker tot 2020 worden verlengd en hoogstwaarschijnlijk wordt het nog later. Het lijkt er bijna op dat het kabinet probeert dit hete hangijzer over de verkiezingen van maart 2021 heen te tillen. Wat is er allemaal aan de hand?

Regeerakkoord

De nieuwe wet moet enerzijds (de inhuurder van) echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant) voorkomen. Bij de uitwerking van de wet zullen veldpartijen betrokken worden en zijn zowel de handhaafbaarheid als de effecten op de administratieve lasten van belang. In het regeerakkoord valt over de kabinetsplannen het volgende te lezen:

  • Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Wat een laag tarief is, wordt gedefinieerd als corresponderend met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon (de grens die bijvoorbeeld ook voor het lage-inkomensvoordeel (LIV) wordt gehanteerd) of met de laagste loonschalen in cao’s. Er wordt één tarief gekozen om voor de gehele markt de onderkant af te bakenen. Op basis van de gehanteerde argumentatie zal dit tarief vermoedelijk liggen in een bandbreedte tussen de € 15 en 18 per uur. Een langere duur wordt gedefinieerd als langer dan drie maanden.
  • Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandig ondernemers een ‘opt-out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd, indien er sprake is van een hoog tarief in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Bij een ‘hoog tarief’ denkt het kabinet aan een tarief boven de € 75 per uur. Een kortere duur wordt gedefinieerd als korter dan een jaar.
  • Voor zelfstandigen boven het ‘lage’ tarief wordt een ‘opdrachtgeversverklaring’ ingevoerd. Deze geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers. Opdrachtgevers krijgen deze verklaring via het invullen van een webmodule, zoals bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk bestaat. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen (tenzij de webmodule niet naar waarheid is ingevuld). In de webmodule wordt een aantal duidelijke vragen gesteld aan de opdrachtgever over de aard van de werkzaamheden. Daarbij wordt ten behoeve van de webmodule het onderdeel ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt (bijvoorbeeld dat het enkel moeten bijwonen van een vergadering op zichzelf geen indicatie van gezag is). Tevens zal het kabinet de wet zo aanpassen dat gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van de materiële in plaats van formele omstandigheden.
  • De markt krijgt de tijd om te wennen aan veranderde wet- en regelgeving. Het huidige handhavingsmoratorium wordt na invoering van de bovenstaande maatregelen gefaseerd afgebouwd. Na invoering van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid (onder andere geen boetes na eerste controle) van de nieuwe regelgeving.
  • Het kabinet gaat verkennen, ook in overleg met sociale partners en veldpartijen of, en hoe zelfstandig ondernemerschap via de invoering van een ondernemersovereenkomst een eigen plek zou kunnen krijgen in het Burgerlijk Wetboek. Dit zou de positie van zelfstandig ondernemers kunnen verhelderen en verstevigen.
  • Tevens zal worden bezien hoe bij zelfstandigen de verzekeringsgraad voor arbeidsongeschiktheid kan worden verhoogd. Het is van belang dat zelfstandigen een bewuste keuze kunnen maken om zich wel of niet te verzekeren en dat zelfstandigen die daarvoor kiezen in beginsel toegang hebben tot de verzekeringsmarkt. Het kabinet zal in gesprek gaan met de verzekeraars om een beter verzekeringsaanbod te bevorderen.
  • Uiteraard zal het kabinet blijven peilen of de praktijk van de wijzigingen overeenstemt met de doelstellingen van de wijzigingen, namelijk het tegengaan van schijnzelfstandigheid en zorgen dat echte zzp’ers gewoon hun werk kunnen doen.
2020 vroegst haalbare datum maar hoe reëel is dit?

Tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2018 zei minister Koolmees over het tijdpad en de beoogde datum van inwerkingtreding het volgende:

‘Voorzitter. De staatssecretaris van Financiën en ik willen de huidige onrust zo snel mogelijk wegnemen en zo veel mogelijk helderheid geven, net als veel fracties in uw Kamer. Dit zijn echter grote aanpassingen van het arbeidsrecht met grote implicaties voor de uitvoering, voor de handhaving en voor de Belastingdienst. Dat betekent dat wij zorgvuldigheid moeten betrachten bij de uitwerking. Bovendien moet het geen tekentafelexercitie worden. Het gevaar is dat we dan weer van de regen in de drup belanden en nog geen probleem hebben opgelost. Daarom gaan we goed luisteren naar veldpartijen, zoals de zzp-organisaties, werkgevers en werknemers, zodat de maatregelen in de praktijk ook goed uitvoerbaar zijn. Ik kan u melden dat ik ondertussen samen met de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Economische Zaken een uitnodiging heb verstuurd aan de zzp-organisaties om eind januari 2018 bij elkaar te komen en alle opties uit het regeerakkoord te verkennen, alsmede breder te kijken naar de toekomst van de zzp’er. Dat gebeurt dus eind januari. We zijn dus aan de slag gegaan en pakken dit voortvarend op, met alle zzp-organisaties. Ik heb aangegeven te streven naar inwerkingtreding per 2020. Ik begrijp heel goed dat dit heel ver weg voelt, maar voor dergelijke grote aanpassingen is een wetswijziging nodig en is er aanpassing in de uitvoering en handhaving nodig. Het is dus al een ambitieuze doelstelling om te mikken op 1 januari 2020. De focus van het kabinet – we hechten eraan dit te benadrukken – ligt nu eerst bij het wegnemen van de onzekerheid bij zelfstandigen en hun opdrachtgevers, namelijk door de opdrachtgeversverklaring, de opt-out en de verplichte arbeidsovereenkomst voor bepaalde groepen met een laag tarief. De opdrachtgeversverklaring zou per 2020 in werking kunnen treden.’ Het zwaard van Damocles; de terugkeer naar de klassenmaatschappij en het doorschuiven van de aanpak van echte problemen

De vraag dienstbetrekking of geen dienstbetrekking zal als een zwaard van Damocles nog lang boven het hoofd van veel zzp’ers blijven hangen met alle ongewenste gevolgen van dien. De Wet DBA was van tevoren toch ook goed doorgesproken met alle belangenorganisaties? Maar toen het echt fout ging, lieten alle betrokkenen voormalig staatssecretaris van Financiën, Eric Wiebes, voor het echec opdraaien.

Bovendien ogen de plannen van Rutte III ook niet echt solide. Want waarom zou je zzp’ers die tegen een laag tarief werken, omdat ze lager geschoolde arbeid verrichten, anders moeten behandelen dan zzp’ers die het zich kunnen permitteren tegen een hoger tarief te werken? Of keren we onder Rutte III weer terug naar een klassenmaatschappij? Dat hoop ik toch echt niet. Ik onderschrijf de doelstelling van het aanpakken van schijnconstructies. Daar worden met name zzp’ers aan de onderkant niet beter van. Maar ik betwijfel ten sterkste of de door Rutte III (vooralsnog) gekozen oplossing in de praktijk ook werkbaar is.

Tevens maak ik uit de woorden van Koolmees en de relevante passage uit het regeerakkoord (terughoudend handhavingsbeleid) op dat het het kabinet helemaal niet slecht zou uitkomen als de opvolger van de Wet DBA in ieder geval nog niet in 2020 wordt ingevoerd. De volgende Tweede Kamerverkiezing vindt immers al plaats op 17 maart 2021. Pappen en nathouden dus. Probleem opgelost voor dit kabinet, echter nog steeds niet voor de vele zzp’ers die ons land telt en die hierdoor onnodig (veel) opdrachten mislopen.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Auteur(s)
Felix Peppelenbosch
NLFiscaal
NLF-nummer
NLF Opinie 2017/33
Judoreg
NFB1240
Publicatiedatum
4 januari 2018

X