Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(7)
  • Jurisprudentie(85)
  • Commentaar NLFiscaal(5)
  • Literatuur(6)
  • Recent(7)

X (belanghebbende) heeft van maart 2000 tot [datum] 2011 in Oman gewoond. Sinds [datum] 2011 woont X in Nederland en is hij binnenlands belastingplichtig. In Oman heeft X vriendschappelijke en zakelijke betrekkingen ontwikkeld met de heer Y. Voorts heeft hij tijdens zijn verblijf in Oman geïnvesteerd in drie onroerende zaken. Tussen partijen staat vast dat Y de juridische eigendom van de onroerende zaken heeft verkregen omstreeks de remigratie van X vanuit Oman naar Nederland in 2011. In geschil is of X in 2012 tot en met 2015 economisch eigenaar was van de onroerende zaken.


Rechtbank Zeeland-West-Brabant acht aannemelijk dat X de economische eigendom van de onroerende zaken, zijnde het risico van waardeverandering en tenietgaan van de onroerende zaken, heeft behouden. Dat X zelf zijn recht op de onroerende zaken vanaf 2011 als ‘waardeloos’ ervaarde, doet hieraan niet af. De Inspecteur heeft de onroerende zaken terecht tot de rendementsgrondslag van box 3 gerekend (jaren 2012-2015). De door de Inspecteur aangehouden waardering acht de Rechtbank voorts juist.


Ten aanzien van een creditcardschuld staat vast dat deze in de onderhavige jaren nominaal OMR 10.702 bedroeg en dat deze op 13 februari 2018 is kwijtgescholden voor een bedrag van OMR 3.000. De Rechtbank verwerpt de stelling van de Inspecteur dat de waarde in het economische verkeer van de creditcardschuld op de peildata reeds lager is dan de nominale waarde. In zoverre is het beroep gegrond.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2012-2015
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
3 november 2021
Rolnummer
19/2698;19/269;19/2700;19/2701
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:5543
bwbr0011353&artikel=5.3

X