Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(3)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(9)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(1)

De gemeente X (belanghebbende), de Staat (der Nederlanden) en Y hebben op 2 juli 2015 een aanvullende overeenkomst gesloten met een aannemer voor de realisatie van een noodaanlanding in een veerhaven op een eiland. Als de veerdienst door calamiteiten geen gebruik kan maken van de reguliere aanlanding, kan de noodaanlanding worden gebruikt voor het aan en van boord gaan van personen en voertuigen.

Bij de door de aannemer aan X in rekening gebrachte vergoedingen is omzetbelasting in rekening gebracht.

In geschil is of X ter zake van de in rekening gebrachte omzetbelasting recht heeft op een bijdrage uit het Btw-compensatiefonds.

Dat is volgens Rechtbank Noord-Holland niet het geval. Met het sluiten van de overeenkomst van 2 juli 2015 is een rechtsbetrekking ontstaan tussen X en de aannemer, namelijk de verplichting van X om het voor haar rekening komende bedrag aan de aannemer te betalen. Er is tussen hen echter geen verhouding van leverancier-afnemer ontstaan en dit is dan ook niet de rechtsbetrekking ingevolge welke de levering is verricht.

Uit de overeenkomst valt op te maken dat de aannemer de opdracht tot aanleg van de noodaanlanding kreeg van de Staat en ook moest presteren aan en onder toezicht van de Staat. Slechts de Staat is de afnemer van de door de aannemer geleverde noodaanlanding. Het gelijk is aan de Inspecteur.

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2015-2016
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
8 december 2021
Rolnummer
20/308; 20/309
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:11901
bwbr0013817&artikel=1,bwbr0013817&artikel=3,bwbr0013817&artikel=4

X