Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(7)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(1)
  • Recent(1)

X (belanghebbende) heeft een vastgoedportefeuille in eigendom.

Verkoopmakelaar A heeft vanaf eind 2018 een appartementsrecht op een aantal zelfstandig verhuurde winkel- en bedrijfsruimtes (hierna: de onroerende zaak) in de verkoop staan voor een vraagprijs van € 1.400.000. Bij akte van levering van 16 april 2019 is aan X de onroerende zaak geleverd. De koopprijs van de onroerende zaak bedroeg € 900.000.

Ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak is door de notaris aangifte overdrachtsbelasting gedaan naar een af te dragen bedrag van € 67.260 (6% * (€ 1.180.000 -/- € 58.974,84 aandeel reservefonds VvE)). Het bedrag van € 1.180.000 is de marktwaarde kosten koper van de onroerende zaak, zoals vastgesteld in een taxatierapport.

In geschil is de maatstaf van heffing voor de overdrachtsbelasting voor de verkrijging. Niet in geschil is dat de koopsom is overeengekomen tussen onafhankelijke, zakelijk handelende partijen.

Rechtbank Gelderland oordeelt evenwel dat het taxatierapport overtuigend steun biedt voor het oordeel dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak hoger is dan de overeengekomen koopsom. X heeft onvoldoende aangevoerd om gerede twijfel te zaaien over het standpunt van de Inspecteur dat bij het vaststellen van de maatstaf van heffing uitgegaan dient te worden van € 1.180.000.

Rubriek(en)
Belastingen van rechtsverkeer
Belastingtijdvak
2019
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
21 februari 2022
Rolnummer
20/1820
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:892
NLF-nummer
NLF 2022/1070
Aflevering
2 juni 2022
bwbr0002740&artikel=52,bwbr0002740&artikel=52

X