Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(9)
  • Jurisprudentie(66)
  • Commentaar NLFiscaal(9)
  • Literatuur(81)
  • Recent(12)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(4)

Deze zaak handelt over de overname van Nederlandse vennootschappen via een private equity-structuur. Binnen deze structuur wordt de ten behoeve van de overname opgerichte Nederlandse houdstervennootschap X (bv, belanghebbende) gefinancierd met achtergestelde leningen die verschuldigd zijn aan op het eiland Guernsey gevestigde vennootschappen (hierna: de leningen). De over de leningen in de aangifte verantwoorde aftrek van rente bedraagt € 13.157.632.


Hof Amsterdam is het voor het overgrote deel eens met de oordelen van Rechtbank Noord-Holland. Er is sprake van fraus legis.


Het Hof oordeelt al met al dat de leningen onzakelijk zijn. Hiervan uitgaande bedraagt de rente over de leningen 2,5% (in plaats van de overeengekomen 11,5 – 14%). Deze rente is niet aftrekbaar, omdat in dit geval het verstrekken van de leningen als wetsontduiking moet worden aangemerkt. Voorts kan een arrangement fee van € 8,4 mln niet in één keer ten laste van de winst worden gebracht. Deze fee moet worden geactiveerd.


Tegen dit oordeel heeft X met de volgende vier middelen cassatieberoep ingesteld:


(i) Het oordeel van het Hof dat de leningen onzakelijke leningen zijn is onjuist, ongemotiveerd of onbegrijpelijk;


(ii) Er kan geen sprake zijn van strijd met doel en strekking van artikel 10a Wet VpB 1969;


(iii) Het oordeel van het Hof dat (ook) in strijd met doel en strekking van de Wet VpB 1969 in het algemeen is gehandeld door de creatie van een nutteloze gelieerde lening vanuit een tax haven die willekeurige rentelasten oproept zonder zakelijke functie in de ondernemingsfinanciering, is onjuist;


(iiii) Goed koopmansgebruik verplicht niet tot activering van de arrangement fee.


Volgens A-G Wattel zijn de cassatiemiddelen (i), (ii) en (iii) ongegrond, maar is cassatiemiddel (iv) gegrond.


Hij stelt verwijzing voor. Het verwijzingshof moet onderzoeken of en zo ja, in hoeverre de arrangement fee door de partijen bedoeld is, althans fiscaalrechtelijk gezien moet worden als vooruitbetaalde (rente)kosten, waarbij het op de weg van de fiscus ligt om daartoe overtuigingsmateriaal aan te dragen.


Voorts geeft de A-G de Hoge Raad in overweging om het voorwaardelijk door de staatssecretaris ingestelde incidentele cassatieberoep buiten behandeling te laten.

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2011
Instantie
A-G
Datum instantie
27 oktober 2021
Rolnummer
21/01534
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:1004
bwbr0002672&artikel=10a

X