Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(70)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(8)

De onderhavige gevoegde zaken Sole-Mizo (C-13/18) en Dalmandi Mezőgazdasági Zrt. (C-126/18) betreffen de uitlegging van het Unierecht in het geval dat een belastingplichtige recht heeft op een teruggaaf van btw (plus vertragingsrente) die een lidstaat (in casu Hongarije) in strijd met het Unierecht heeft geheven.

Het HvJ verklaart, kort gezegd, het volgende voor recht:

  1. De rente die een lidstaat over de btw-teruggaaf moet vergoeden mag niet lager zijn dan de ‘normale rente’.
  2. Het Unierecht verzet zich niet tegen een praktijk van een lidstaat waarbij een vervaltermijn van vijf jaar geldt voor verzoeken tot betaling van rente.
  3. Het Unierecht verzet zich niet tegen een praktijk van een lidstaat die (i) van de belastingplichtige verlangt dat hij een bijzonder verzoek indient om de vertragingsrente te ontvangen waarop hij recht heeft omdat de belastingdienst een vordering uit hoofde van de teruggaaf van een in strijd met het Unierecht ingehouden btw-overschot niet binnen de gestelde termijn heeft gehonoreerd, terwijl een dergelijke rente in andere gevallen ambtshalve wordt toegekend, en (ii) die rente toepast vanaf het verstrijken van de termijn van 30 of 45 dagen waarover de belastingdienst beschikt om een dergelijk verzoek af te handelen, en niet vanaf de datum waarop dat overschot is ontstaan.
Butoir en rente

De keuze die artikel 183 Btw-richtlijn aan lidstaten biedt om een overschot aan aftrek in een bepaald tijdvak door te rollen naar een volgend tijdvak is in een aantal lidstaten een heet hangijzer. Met name de vraag onder welke voorwaarden teruggaaf van btw kan worden uitgesteld en in hoeverre hierbij rente is verschuldigd, is al in een hele reeks HvJ-arresten aan de orde geweest. In dit arrest gaat het om de Hongaarse implementatie van artikel 183 Btw-richtlijn en de daaruit voortvloeiende plicht tot vergoeding van rente, die al eerder door het HvJ ten dele als strijdig met het Unierecht is aangemerkt.1

In vervolg daarop staat in deze zaak de rente centraal die door de Hongaarse belastingdienst moet worden voldaan aan belastingplichtigen in twee onderscheiden (hoewel soms samenvallende) situaties. De eerste betreft de rente die betaalbaar is aan belastingplichtigen indien uit een arrest van het HvJ of de hoogste Hongaarse rechter volgt dat een regel van Hongaars recht in strijd is met het Unierecht of de Hongaarse Grondwet als gevolg waarvan een ex-tunc-recht op teruggaaf ontstaat. Het tweede betreft de rente die betaalbaar wordt aan belastingplichtigen indien een verzoek om btw-teruggaaf door de belastingdienst niet tijdig wordt herzien. 

Rubriek(en)
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2005-2011
Instantie
HvJ
Datum instantie
23 april 2020
Rolnummer
C-13/18 en C-126/18
ECLI
ECLI:EU:C:2020:292
Auteur(s)
Simon Cornielje
PwC/Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2020/1124
Aflevering
14 mei 2020
Judoreg
NFB3258
bwbr0002320&artikel=30ha,bwbr0004770&artikel=28c

X