Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(5)
  • Jurisprudentie(151)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(13)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat X (belanghebbende) bovendien recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente over deze vergoeding vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het enkele feit dat het Hof vaststelt dat de Inspecteur wettelijke rente dient te vergoeden over de vergoeding van immateriële schade, een vergoeding van proceskosten en griffierecht niet rechtvaardigt.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat omwille van de praktische uitvoerbaarheid als uitgangspunt moet worden gehanteerd dat de uiterste datum waarop de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden betaald, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling tot vergoeding van deze schade is opgenomen, is gedaan. Pas als de vergoeding op die uiterste datum niet is betaald, raakt de schuldenaar in verzuim en gaat de wettelijke rente lopen vanaf de dag na die uiterste datum.

Voorts oordeelt de Hoge Raad dat de belanghebbenden bij de rechter aanspraak dienen te maken op vergoeding van de wettelijke rente.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de hiervoor genoemde termijn van vier weken waarna wettelijke rente wordt verschuldigd eveneens geldt voor veroordelingen tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het cassatieberoep van X wordt ongegrond verklaard.

Deze noot heeft tevens betrekking op het gelijkluidende arrest van dezelfde datum met nummer 17/04503 (NLF 2019/0096).

Voorwaarden toekenning wettelijke rente

De rechter kan bij overschrijding van de redelijke termijn een immateriële schadevergoeding toekennen op grond van artikel 8:73 (oud) en 8:88 Awb.1 Als de uitbetaling van deze schadevergoeding vertraging oploopt, is op grond van deze artikelen jo. artikel 6:119 BW in beginsel wettelijke rente verschuldigd. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van de betreffende geldsom. Op grond van artikel 6:81 Awb is een schuldenaar in verzuim vanaf het moment dat de geldsom opeisbaar is geworden. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 20162 volgt dat, omwille van de praktische uitvoerbaarheid, de termijn voor het berekenen van de wettelijke rente begint te lopen op de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum waarop de rechter uitspraak heeft gedaan over de vergoeding van de immateriële schade. Het instellen van (hoger) beroep heeft geen schorsende werking ten aanzien van deze termijn. Samenvattend vloeien de verschuldigdheid van wettelijke rente en de verplichting om die rente te vergoeden voort uit:

  1. de wet op basis van artikel 6:119 BW;
  2. de vaststelling van de rechter van de verplichting tot vergoeding van immateriële schade; en
  3. het niet tijdig betalen van deze immateriële schade.

 

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2016
Instantie
HR
Datum instantie
21 december 2018
Rolnummer
17/04504
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:2358
Auteur(s)
Wendy Nent
BDO
NLF-nummer
NLF 2019/0076
Aflevering
10 januari 2019
Judoreg
NFB2112
bwbr0005537&artikel=8:73

X