Gerelateerde content
  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(38)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(2)
In deze zaak gaat het om een derde cassatieprocedure omtrent een aanslag in het rioolafvoerrecht van de gemeente Amsterdam. De Hoge Raad heeft in de tweede cassatieprocedure verwezen naar Hof Arnhem, omdat het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet de stelling van een BV had behandeld “dat in de lastenraming verscheidene kostenposten zijn opgenomen die niet dan wel slechts zijdelings met de riolering samenhangen”. In deze derde cassatieprocedure gaat het over de vraag of Hof Arnhem (verder: het Hof) terecht heeft geoordeeld dat die samenhang er is met betrekking tot de door de Gemeente als geraamde kosten meegenomen baggerkosten en grondwatercontrolekosten.
Het Hof heeft de maatstaf van de verwijzingsopdracht “niet of slechts zijdelings met de riolering samenhangen” opgevat als “voor minder dan 10 percent”. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat Amsterdam aannemelijk heeft gemaakt dat de door de gemeente gemaakte bagger- en grondwatercontrolekosten in grotere mate dan slechts zijdelings met de riolering samenhangen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof voldoende heeft gemotiveerd dat bagger- en grondwatercontroleposten in grotere mate dan slechts zijdelings met de riolering samenhangen.
Het cassatieberoep van de BV wordt daaromongegrond verklaard.
Conform A-G IJzerman.
Belastingtijdvak
1993
Instantie
HR
Datum instantie
4 juni 2010
Rolnummer
08/00313
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BL0990
bwbid=bwbr0&artikel=228a

X