Direct naar content gaan

Samenvatting

Deze conclusie van A-G Ettema handelt over de vraag of de wettelijke verplichting tot het indienen van een suppletieaangifte op grond van artikel 10a AWR in samenhang met artikel 15 Uitv.besl. OB 1968 in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 48 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Meer specifiek onderzoekt de A-G hoe deze wettelijke mededelingsplicht onder bestuursrechtelijke sanctiedreiging zich verhoudt tot het door voornoemde bepalingen gewaarborgde beginsel dat niemand mag worden gedwongen bij strafvervolging bewijs tegen zichzelf te leveren (het nemo-teneturbeginsel). De aanleiding voor dit onderzoek vormt een uitspraak van de strafkamer van Hof Den Bosch, waarin zij ambtshalve en ten overvloede oordeelt dat de suppletieplicht van artikel 10a AWR in samenhang met artikel 15 Uitv.besl. OB 1968 in strijd is met het nemo-teneturbeginsel en de genoemde fiscale bepalingen jegens de verdachte buiten toepassing laat (Hof Den Bosch 10 juli 2018, 20-003061-16, ECLI:NL:GHSHE:2018:2879, NLF 2018/1954, met noot van Barmentlo).

X (bv; belanghebbende) beroept zich bij de belastingkamer van Hof Den Haag op die uitspraak, maar het Hof oordeelde anders. Anders dan het oordeel van de strafkamer acht het Hof in deze procedure over een aan X opgelegde vergrijpboete het nemo-teneturbeginsel niet geschonden. Het Hof legt aan dat oordeel ten grondslag dat het voldoen aan de suppletieplicht op geen enkele wijze leidt tot bestraffing of beboeting.

Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld.

De A-G meent dat het oordeel van het Hof dat een suppletie nooit kan leiden tot een beboetbaar of strafbaar feit, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De belastingplichtige kan met de suppletie belastend materiaal verstrekken. In het geval van X is echter geen sprake van wilsafhankelijk materiaal omdat de omzetbelastingschuld was opgenomen in de jaarstukken. Er is dan ook geen reden de uitspraak van het Hof ambtshalve te casseren.

Het cassatieberoep van X is volgens de A-G wel gegrond omdat het Hof bij zijn oordeel ten onrechte is voorbijgegaan aan de rechtspraak van de Hoge Raad over de redelijke termijn. De zaak dient volgens de A-G te worden verwezen naar een ander Hof voor de vaststelling of de vergrijpboete verminderd dient te worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaak had moeten worden afgedaan.

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Omzetbelasting
Belastingtijdvak
2e kwartaal 2011
Instantie
A-G
Datum instantie
16 juni 2021
Rolnummer
19/01550
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:611
Auteur(s)
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen
NLF-nummer
NLF 2021/1510
Aflevering
29 juli 2021
Judoreg
NFB4480
bwbr0002320&artikel=10a,bwbr0002320&artikel=10a,bwbr0002633&artikel=15,bwbr0002633&artikel=15,bwbv0001000&artikel=6,bwbv0001000&artikel=6

Naar de bovenkant van de pagina