Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Op 8 mei 2019 wees het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) een arrest in de procedure Związek Gmin Zagłębia Miedziowego w Polkowicach. In die procedure ging het om de toepassing van het aan het Poolse nationale recht ontleende legaliteitsbeginsel bij de heffing van op geharmoniseerde grondslag geheven btw. Bij die toepassing is de samenloop van nationaal- en EU-recht aan de orde. Die samenloop is van belang voor de rechtsbescherming die belastingplichtigen genieten indien zij aan dat Unierecht zijn onderworpen.

1. Inleiding

Het arrest van Związek Gmin Zagłębia Miedziowego w Polkowicach betrof de aftrek van voorbelasting in geval een ondernemer zowel economische als niet-economische activiteiten verricht.1 In dat kader oordeelde het HvJ in zijn arrest Securenta reeds dat voor zover btw aan niet-economische activiteiten toegerekend moet worden, deze niet voor aftrek als voorbelasting in aanmerking komt.2 Hoewel dit volgt uit artikel 168 en 173 Btw-richtlijn,3 zwijgen deze bepalingen echter over de wijze waarop die toerekening moet plaatsvinden. Omdat de Poolse btw-wetgeving waarmee de richtlijnbepalingen in Pools nationaal recht waren omgezet ook geen regels omtrent die toerekening bevatten, oordeelde de hoogste Poolse bestuursrechter in een arrest van 24 oktober 2011 dat belastingplichtigen aanspraak konden maken op integrale aftrek van voorbelasting, met inbegrip van het gedeelte van de voorbelasting dat toegerekend zou kunnen worden aan niet-economische activiteiten. Doordat de Poolse wetgeving geen regeling ter bepaling van de zogenoemde (pre)pro rata bevatte, oordeelde deze rechter dat het in artikel 217 van de Poolse grondwet verankerde legaliteitsbeginsel in de weg stond aan een beperking van de aftrek van voorbelasting.4

De Poolse bestuursrechter in eerste aanleg twijfelde echter aan de juistheid van dit oordeel, omdat hij de bepaling van artikel 168 Btw-richtlijn op dit punt duidelijk achtte, nu deze uitdrukkelijk bepaalde dat het recht op btw-aftrek enkel is verbonden aan belaste handelingen. Teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de juiste toepassing van de Btw-richtlijn stelde deze de prejudiciële vraag of, in een situatie waarin in het nationale recht geen methoden en criteria zijn neergelegd voor de verdeling van de voorbelasting, artikel 168 Btw-richtlijn zich verzet tegen een nationale praktijk waarbij een recht wordt toegekend op volledige aftrek van de voorbelasting over aangekochte goederen en diensten die worden gebruikt zowel ten behoeve van economische als niet-economische handelingen.

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Auteur(s)
Gooike van Slooten
Deloitte
NLF-nummer
NLF-W 2019/0003
Judoreg
NFB2617
Publicatiedatum
19 juli 2019

X