Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(9)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(35)
  • Jurisprudentie(93)
  • Commentaar NLFiscaal(69)
  • Literatuur(83)
  • Recent(10)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(7)

Dit jaar heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid een internetconsultatie gehouden over het conceptwetsvoorstel ‘Modernisering personenvennootschappen’. Het conceptvoorstel geeft het nieuwe moderne wettelijk kader voor personenvennootschappen (maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap). Doel is een moderne toegankelijke regeling die ondernemers faciliteert, een passende bescherming biedt aan schuldeisers en zekerheid aan het handelsverkeer. Het betreft de civielrechtelijke regeling. De fiscale maatregelen, het overgangsrecht en wijzigingen in overige wetten zullen op een later moment worden geconsulteerd, samen met het civielrechtelijke gedeelte. Hoe die fiscale maatregelen er exact uit zullen komen te zien, is thans nog niet bekend. Edwin Heithuis neemt alvast een voorschot. 

1. Inleiding

Van 21 februari 2019 tot 31 mei 2019 is het conceptwetsvoorstel ‘Modernisering personenvennootschappen’ via internet geconsulteerd. Dit wetsvoorstel is ‘slechts’ civielrechtelijk van aard en regelt enkel de civielrechtelijke regeling van de personenvennootschappen in een nieuwe Titel 13 Boek 7 BW. De noodzakelijke fiscale maatregelen staan niet in dit wetsvoorstel maar zullen worden opgenomen in een aparte invoeringswet die, zo mag worden aangenomen, naar modern gebruik (ook) eerst via internet zal worden geconsulteerd.

Hoe die fiscale regeling er uit zal zien, blijkt niet uit het conceptwetsvoorstel maar kan worden gekend uit het rapport ‘Modernisering personenvennootschappen’ van de Werkgroep personenvennootschappen (hierna: Werkgroep) van september 2016. Hoofdstuk 11 van dit rapport gaat in anderhalve pagina in op de fiscaliteit dat in veertien pagina’s nader is uitgewerkt in de bijlage ‘Fiscale aspecten’. Wie de auteur is van deze fiscale paragraaf vermeldt het rapport niet maar aangenomen mag worden dat dit collega Essers is van de Universiteit van Tilburg. Collega Essers was namelijk de enige fiscalist die deel uitmaakte van de Werkgroep. Terwijl het voorwoord van het rapport van de Werkgroep in de eerste volzin nog spreekt over een werkgroep die is samengesteld uit juristen en fiscalisten (uit praktijk, wetenschap en bedrijfsleven1), in het meervoud dus, heb ik, voor zover mij bekend, slechts één fiscalist in de Werkgroep aangetroffen (en wel in de persoon van collega Essers dus). Naast collega Essers bestond de Werkgroep uit maar liefst elf andere personen, allen, gelet op hun functieomschrijvingen, civiel-jurist en als zodanig werkzaam. Gegeven het feit dat de keuze voor de rechtsvorm van een onderneming niet zelden om fiscale redenen wordt bepaald – de Werkgroep onderkent dat ook, want zij schrijft op p. 29: ‘In het huidige stelsel wordt de rechtsvormkeuze sterk beïnvloed door fiscale factoren.’ – is dit naar mijn mening een uiterst magere vertegenwoordiging geweest van fiscalisten in de Werkgroep. Niets ten nadele van collega Essers uiteraard, maar een ruimere fiscale vertegenwoordiging in de Werkgroep was naar mijn mening voor zo’n voor de praktijk belangrijk onderwerp geboden geweest. Zoals zo vaak bij civielrechtelijke onderwerpen lijkt ook nu de fiscaliteit er maar een beetje te hebben ‘bijgehangen’.2 Ik meen derhalve dat een ruimere fiscale vertegenwoordiging in de Werkgroep op zijn plaats was geweest, juist omdat de rechtsvormkeuze sterk wordt beïnvloed, zo niet uitsluitend wordt bepaald door fiscale factoren.

bwbr0002320&artikel=2&lid=3,bwbr0002672&artikel=2&lid=5,bwbr0002672&artikel=13d,bwbr0002672&artikel=14a,bwbr0002672&artikel=14b,bwbr0002672&artikel=14c,bwbr0002672&artikel=20a,bwbr0002672&artikel=28a,bwbr0011353&artikel=3.65

X