Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(5)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(45)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(7)
  • Recent(10)

Per 1 januari 2013 is de belastingrente geïntroduceerd als vervanger van de heffingsrente. Inmiddels is een omvangrijke stroom jurisprudentie op gang gekomen met betrekking tot deze regeling. Enerzijds blijkt daaruit dat de fundamenten van de regeling door de rechter worden gerespecteerd. Anderzijds heeft de rechter zich wel ontvankelijk getoond voor het argument dat het niet redelijk is om belastingrente in rekening te brengen over tijdvakken waarin de verschuldigde belasting reeds ‘onder de fiscus’ was. Dat zou toch te denken moeten geven. Volgens Eddo Hageman is er sprake van een ontspoorde regeling. Hij doet een voorzet voor een verbetering van het systeem van de belastingrente.

1. Inleiding

Per 1 januari 2013 is de belastingrente geïntroduceerd als vervanger van de heffingsrente.1 Achter de naamswijziging gaan belangrijke inhoudelijke aanpassingen schuil. Waar de heffingsrenteregeling primair gebaseerd was op de compensatiegedachte,2 draait het in de belastingrenteregeling in de kern om de vraag of de belastingplichtige dan wel de Inspecteur in verzuim is. Op de invulling van het verzuimbegrip ga ik hierna nog uitgebreid in. Maar nu reeds wil ik verklappen dat de regeling naar mijn mening onevenwichtig is vormgegeven. In deze kritiek sta ik zeker niet alleen. Diverse auteurs voor mij hebben reeds hun licht laten schijnen over de belastingrenteregeling en verbeteringsvoorstellen gedaan.3 Ook in de politiek groeit de onvrede. Zo werd bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2018 een motie van Tweede Kamerlid De Vries (VVD) aangenomen, waarin het kabinet werd verzocht om in kaart te brengen of het systeem van de belastingrente redelijk, billijk en rechtvaardig is, of de gehanteerde rentepercentages marktconform zijn en welke verbeterpunten er te onderkennen zijn.4 Wie had gedacht dat deze motie aanleiding zou geven tot een fundamentele herbezinning van de regeling is bedrogen uitgekomen. De enige concrete toezegging die de staatssecretaris deed, is dat de mogelijkheid om aan renteberekening te ontkomen door het tijdig doen van aangifte zou worden verruimd.5 Belangrijke pijnpunten van de regeling zijn overeind gebleven, waaronder het in rekening brengen van belastingrente over tijdvakken waarin de belasting al ‘onder de fiscus’ is. Uit de groeiende stroom aan jurisprudentie blijkt echter dat de belastingrechter zich wel gevoelig toont voor het argument dat het niet redelijk is om met toepassing van de verzuimgedachte belastingrente in rekening te brengen als er geen liquiditeitsnadeel voor de Belastingdienst is. Om tot dit oordeel te komen, wordt vrijwel het gehele spectrum aan beginselen van behoorlijk bestuur ingezet.

Hoewel ik grote sympathie heb voor deze uitspraken, heb ik twijfels bij de houdbaarheid van sommige van de gebezigde argumenten. Sowieso zijn de mogelijkheden van de rechter in de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen beperkt, aangezien hij een wet in formele zin niet aan de Grondwet mag toetsen (artikel 120 GW). De redelijkheid van de belastingrenteregeling staat als zodanig niet aan de rechter ter beoordeling.6 Slechts een beroep op verdragsrechtelijke beginselen, zoals het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR en het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM, kan daarmee niet verenigbare nationaalrechtelijke bepalingen opzijzetten (artikel 94 GW).7 De realiteit gebiedt echter te zeggen dat de succesratio op dit punt niet hoog is, met name omdat aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toekomt.8

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Wetsartikelen
Auteur(s)
Eddo Hageman
Deloitte / Erasmus Universiteit Rotterdam
NLF-nummer
NLF-W 2020/0002
Judoreg
NFB3040
Publicatiedatum
13 maart 2020
bwbr0001840&artikel=94,bwbr0001840&artikel=120,bwbr0004770&artikel=9,bwbr0004770&artikel=28a,bwbr0004770&artikel=28c

X