Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(4)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(2)
  • Jurisprudentie(97)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(3)
  • Recent(6)

In deze bijdrage staat de vraag centraal waarom het verleggen van de woonplaats voldoende is om een situatie onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen te brengen, ook als de plaats waar de economische activiteit wordt uitgeoefend niet wijzigt. Erik Ros onderzoekt of de rechtvaardiging hiervoor gevonden kan worden in de bepalingen over het burgerschap van de Unie. In dit kader gaat de auteur ook in op het vrije verkeer van personen onder de EER-overeenkomst. Deze overeenkomst kent een hoge mate van associatie met de interne markt van de EU en bevat aan het EU-recht gelijkluidende bepalingen over het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen. Het burgerschap van de Unie maakt daarentegen expliciet geen onderdeel uit van de EER-overeenkomst.

1. Inleiding

Om onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen te vallen, moest sprake zijn van (i) een grensoverschrijdende (ii) economische activiteit waarbij (iii) een nationale maatregel de uitoefening van deze economische activiteit belemmerde. Deze klassieke uitleg door het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen bracht mee dat de drie vereisten cumulatief waren en met elkaar dienden samen te hangen. Iedere situatie die niet aan de cumulatieve en samenhangende voorwaarden voldeed, viel buiten de materiële werkingssfeer van deze personele marktvrijheden1 vanwege het ontbreken van een voldoende band met de totstandkoming en instandhouding van de interne markt.2 In deze bijdrage staat de ontspanning tussen twee van deze drie cumulatieve en samenhangende vereisten centraal. Ik ga in deze bijdrage in dat kader in op de vraag waarom het verleggen van de woonplaats binnen de EU voldoende is om een situatie onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen te brengen, ook als de plaats waar de economische activiteit wordt uitgeoefend niet wijzigt. Het belang van een antwoord op deze vraag is gelegen in het gegeven dat een uitbreiding van de werkingssfeer van deze personele marktvrijheden de reikwijdte van zuiver interne situaties inperkt en daarmee meer nationale regelingen onder rechterlijk toezicht van het HvJ kan brengen.

In paragraaf 2 bespreek ik de klassieke benadering van de personele marktvrijheden als instrument voor de totstandkoming en instandhouding van de interne markt. In paragraaf 3 ga ik in op fiscale jurisprudentie waaruit blijkt dat het HvJ de criteria voor toegang tot het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen verder loskoppelt. In paragraaf 4 besteed ik aandacht aan de conclusies van A-G Geelhoed en A-G Kokott in de Hartmann-zaak en Hendrix-zaak. Ik bespreek deze conclusies, omdat ook in deze zaken de vraag centraal staat waarom het verplaatsen van alleen de woonplaats ook onder de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers valt, terwijl de plaats waar de economische activiteit wordt uitgeoefend niet wijzigt. Beide A-G’s hebben een tegengestelde visie hierover en buigen zich in dat kader over de ratio van de werkingssfeer van het vrije verkeer van werknemers. In paragraaf 5 en 6 geef ik mogelijke verklaringen en een alternatieve benadering voor het antwoord op de centrale vraag in deze bijdrage. In paragraaf 7 ga ik in op de centrale vraag van dit artikel in relatie tot de EER-overeenkomst. Deze overeenkomst kent een hoge mate van associatie met de interne markt van de EU en bevat aan het EU-recht gelijkluidende bepalingen over het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen. Ik sluit deze bijdrage in paragraaf 8 af met een conclusie.

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Wetsartikelen
Auteur(s)
Erik Ros
ESL
NLF-nummer
NLF-W 2020/13
Judoreg
NFB3651
Publicatiedatum
20 augustus 2020
bwbv0001506&artikel=21,bwbv0001506&artikel=45,bwbv0001506&artikel=49,bwbv0001506&artikel=56

X