Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(30)
  • Commentaar NLFiscaal(14)
  • Literatuur(24)
  • Recent(11)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(4)

Arie de Groot en Bauco Suvaal bespreken de aanstaande beperking van de verliesverrekening in de Wet VpB 1969 per 1 januari 2022. Per die datum wordt de maximale verliesverrekening beperkt ten opzichte van de jaarwinst. Tot een franchise van € 1 miljoen mag de jaarwinst nog volledig worden benut voor de verrekening van verliezen. De aanstaande beperking van de verliesverrekening heeft op het eerste oog de charme van de eenvoud. Nu eenmaal voor de weg van franchise en temporisering is gekozen moet echter ook recht worden gedaan aan de daardoor noodzakelijk geworden nuances en verfijning. In dit eerste deel van een tweeluik wordt ingegaan op de samenloop tussen de beperking van de verliesverrekening en de fiscale eenheid. De aanstaande beperking zal de wet- en regelgeving er (wederom) niet eenvoudiger op maken. Dit zal ook weer blijken in deel 2 van dit tweeluik, waarin zal worden ingegaan op de samenloop met de houdsterverliesregeling. 

1. Inleiding

Bij nota van wijziging1 van het Belastingplan 20212 is een beperking van de verliesverrekening in de vennootschapsbelasting voorgesteld per 2022, die erop neerkomt dat de verrekening van een verlies over boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2013 en die wordt verrekend met belastbare winsten over boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022 nog slechts zal kunnen plaatsvinden tot een bedrag van € 1 miljoen (franchise) vermeerderd met 50% van het meerdere (temporisering). Daar staat tegenover dat de carryforwardtermijn onbeperkt in de tijd wordt. De aanscherping van de verliesverrekening heeft al op de nodige commentaren kunnen rekenen.3 De toelichting bij het wetsvoorstel bevat dan ook niet overdreven veel aandacht voor de samenloop van de beperking van de verliesverrekening met andere fiscale bepalingen. In de literatuur, waarbij met name zij gewezen op het artikel van Post en Elsweier in WFR 2020/1934, en in het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) van 16 oktober 2020 (hierna: ‘eerste NOB-commentaar’) zijn de samenloopkwesties al hangende de behandeling in de Tweede Kamer nadrukkelijk aan de orde gesteld. Nadat de opgeworpen aandachtspunten tijdens die behandeling niet waren geadresseerd, heeft de NOB de ‘oude’ vragen ten behoeve van de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer nogmaals opgenomen en wel als onderdeel van zijn nader commentaar van 20 november 2020 (hierna: ‘tweede NOB-commentaar’), aangevuld met een enkele nieuwe vraag (waarover later meer).

Door de Eerste Kamer is, bij monde van de fracties van het CDA en de VVD, om een integrale reactie gevraagd,5 zowel op de in genoemd WFR-artikel opgeworpen vragen, als (onder meer) expliciet op het tweede NOB-commentaar.6 Op 27 november 2020 verscheen de memorie van antwoord, maar helaas deed dat Kamerstuk zijn naam op een aantal belangrijke punten geen eer aan. Tijdens het vervolg van de parlementaire behandeling is, behoudens een enkel punt,7 geen nadere toelichting gegeven, waarna het wetsvoorstel op 15 december 2020 door de Eerste Kamer is aangenomen.8

bwbr0002672&artikel=15ae,bwbr0002672&artikel=20

X