Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(2)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(4)
  • Jurisprudentie(78)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(11)
  • Recent(33)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(2)

Kosten en lasten die verband houden met misdrijven zijn niet fiscaal aftrekbaar. Dat kan er in samenloop met een ontnemingsvordering toe leiden dat een veroordeelde meer wordt ontnomen dan hem wederrechtelijk is toegekomen. Voor zover het voordeel de veroordeelde wordt ontnomen, zou de belastingheffing ongedaan worden gemaakt. De aftrekuitsluiting heeft tot gevolg dat dit mechanisme bij toepassing van de aftrekuitsluiting, de belastingheffing niet meer ongedaan maakt. Per saldo resteert een heffing over de criminele kosten en lasten. Esther van Nijnatten pleit daarom voor een heroverweging van de aftrekuitsluiting.


De auteur schrijft dit artikel op persoonlijke titel.
1. Inleiding

Tot de aftrekbare kosten behoren niet kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld (in artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel d, Wet IB 2001). Van aftrek zijn ook uitgesloten kosten en lasten die verband houden met misdrijven ter zake waarvan een strafbeschikking onherroepelijk is geworden (artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel e, Wet IB 2001) (hierna tezamen: de aftrekuitsluiting). De Hoge Raad heeft bij arrest van 18 december 20201 geoordeeld dat de aftrekuitsluiting geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM is en toepassing daarvan daarom niet een verboden dubbele bestraffing is. Wel kan de winstoverstijgende heffing in bepaalde gevallen in strijd met het eigendomsrecht komen.

In 1994 deden verschillende dagbladen er verslag van dat zowel wapens en munitie als de aanschaf en verzorging van waakhonden (zoals pitbulls) ten behoeve van de uitvoering van criminele bedrijfsactiviteiten fiscaal aftrekbaar waren.2 Het rechtsgevoel van de burger werd daarmee aangetast, aldus enkele Kamerleden. Die Kamerleden wilden weten of de doelstellingen van de ‘Pluk ze’‑wetgeving wel voldoende doorwerkten in de fiscale praktijk.3 Mede naar aanleiding van die commotie is door staatssecretaris Vermeend een wetsvoorstel ingediend dat heeft geleid tot een regeling die thans is neergelegd in artikel 3.14, lid 1, aanhef en onderdeel d, Wet IB 2001. De aftrekuitsluiting reikt verder dan kosten voor goederen en diensten die naar hun aard ongewenst worden geacht. Kosten gemaakt voor de inkoop van legale goederen en diensten, zoals het huren van een bestelbusje en opslagruimte, zijn evenmin aftrekbaar. Het gevolg van de aftrekuitsluiting is dat per saldo de criminele omzet en niet de criminele winst wordt belast. Als de marges klein zijn, kan de aftrekuitsluiting zelfs tot gevolg hebben dat het totale bedrag aan belastingheffing de (criminele) winst overstijgt. In deze bijdrage onderzoek ik hoe de aftrekuitsluiting en de strafrechtelijke ontnemingsmaatregel zich tot elkaar verhouden. Ik behandel achtereenvolgens de fiscale neutraliteit (paragraaf 2), de ontnemingsmaatregel (paragraaf 3), de aard en achtergrond van de aftrekuitsluiting (paragraaf 4), de samenloop van de aftrekuitsluiting met de ontnemingsmaatregel (paragraaf 5), de mogelijkheden om ongewenste samenloop te voorkomen (paragraaf 6) en in paragraaf 7 sluit ik deze bijdrage af.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Wetsartikelen
Auteur(s)
E.J.F.C. van Nijnatten
Hoge Raad
NLF-nummer
NLF-W 2021/44
Judoreg
NFB4617
Publicatiedatum
28 oktober 2021
bwbr0011353&artikel=3.14,bwbv0001000&artikel=6,bwbv0001001&artikel=1

X