Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

De politiek kan spaarders mogelijk al in 2020 in plaats van 2022 tegemoetkomen met een rechtvaardiger belastingheffing over hun spaargeld. Hoogleraar belastingrecht Roland Brandsma heeft daartoe een voorstel naar de Tweede Kamer gestuurd.


Brandsma heeft in augustus 2019 al een voorstel gedaan voor een aanpassing van box 3 om spaarders op korte termijn te kunnen ontzien (zie NLF Opinie 2019/37).


Vervolgens is staatssecretaris Menno Snel van Financiën begin september met een voorstel gekomen, maar hij wil dat pas per 1 januari 2022 realiseren. Dat is voor spaarders veel te ver weg. In een reactie op de plannen van Snel bepleit de hoogleraar bij de Tweede Kamer een veel snellere invoering. Dat is goed uitvoerbaar omdat beide voorstellen grotendeels met elkaar in overeenstemming zijn. Bovendien vereist het voorstel van Brandsma slechts een paar geringe en snel te realiseren aanpassingen in de software van de Belastingdienst. Volgens Brandsma kan het nieuwe stelsel met een beetje politieke wil per 1 januari 2020 in worden ingevoerd. Dat zou heel goed nieuws zijn voor alle spaarders in Nederland die al jaren vinden dat zij veel te veel belasting moeten betalen over hun fictieve spaarrendement, terwijl ze op hun spaargeld 0% rente krijgen van de bank. Met een negatieve rente in aantocht zullen spaarders zonder een snelle wijziging van het box 3-stelsel, nog harder worden getroffen dan nu al het geval is.

Naar een nieuwe systematiek voor box 3

Onlangs heeft staatssecretaris Snel van Financiën door middel van een brief aan de Tweede Kamer bekendgemaakt dat hij voornemens is om met ingang van belastingjaar 2022 de huidige vormgeving van box 3 ingrijpend te wijzigen. Een belangrijke wijziging betreft het loslaten van de verplichte, fictieve, toewijzing van vermogen aan rendementsklasse I of II met verschillende fictieve rendementen. Een andere, grote wijziging betreft het op een andere wijze rekening houden met de omvang van het vermogen. Waar in het huidige systeem voor 100% met schuld gefinancierde bezittingen meebrengen dat geen sprake is van box 3, wordt dat in de nieuwe systematiek anders: bezittingen, zowel spaargelden als andere beleggingen, vormen de box 3-bezittingen (dus zonder rekening te houden met daartegenover staande schulden), maar op het fictieve rendement – volgens de brief 0,09% voor spaargeld en 5,33% voor andere beleggingen – wordt een aftrek verleend van 3,03% voor aangegane schulden. Als gevolg van deze laatste wijziging krijgt box 3 meer de karakteristiek van een heffing op inkomen dan op vermogen, doordat belastingheffing bij met schuld gefinancierde beleggingen plaatsvindt op grond van een fictief nettorendement (zijnde 5,33% − 3,03% = 2,30%) en past de nieuwe box 3 dus beter in de inkomstenbelasting.

Vervangen heffingsvrije som door drempel

Andere wijzigingen betreffen het vervangen van de heffingsvrije som voor alle box 3-gevallen door een vrijstelling voor de kleine(re) vermogensbezitters (in de vorm van een drempel, wat inhoudt dat bij overschrijding van het vrijstellingsbedrag de waarde van de bezittingen integraal wordt belast, dus een enorm en onwenselijk schokeffect bij overschrijding van die drempel) alsmede het verhogen van het tarief van 30% naar 33%. Last but not least, zeker publicitair, wordt een heffingsvrij inkomen/rendementsvrijstelling van € 400 (€ 800 voor fiscale partners) ingevoerd. Dat lijkt weinig om het lijf te hebben, maar leidt er wel toe dat een particulier met een spaarrekening van ruim € 400.000 geen box 3-heffing is verschuldigd wat natuurlijk veel indrukwekkender klinkt. Mocht overigens de rente stijgen tot 1%, dan is het belang van deze rendementsvrijstelling veel beperkter, want beperkt tot minder dan € 40.000 en komt daarmee weer in de buurt van het huidige heffingsvrije vermogen.

Het zal geen verbazing wekken dat ik een groot voorstander ben van deze aangekondigde wijziging. In eerdere publicaties1 heb ik reeds aangegeven dat het relatief eenvoudig is om de huidige systematiek te wijzigen en beter recht te doen aan de wijze waarop een belastingplichtige er zelf voor kiest om zijn vermogen te beleggen.

Waarom wachten tot 2022?

Het is daarom in mijn ogen de vraag waarom gewacht zou moeten worden tot 2022. Dat betekent immers dat spaarders nog twee jaar lang worden geconfronteerd met een excessieve heffing die gelukkig voor de meesten van hen niet tot een buitensporige last leidt, maar desalniettemin moeilijk kan worden gerechtvaardigd.

In de brief van de staatssecretaris wordt een aantal redenen genoemd om het nieuwe systeem niet eerder in te voeren. In de eerste plaats moet de software van de Belastingdienst worden aangepast. Dat is ontegenzeggelijk het geval, maar gezien het grote aantal wijzigingen dat elk jaar in de inkomstenbelasting wordt doorgevoerd snijdt dat argument alleen hout indien een buitengewoon complex systeem zou worden ontworpen. Dat is in de kern echter niet het geval. Dezelfde informatie die nu voor de heffing van box 3 van belang is, moet door de belastingplichtige worden aangeleverd, waarbij de informatie van de spaartegoeden door de banken al zo gesmeerd wordt doorgegeven aan de fiscus dat deze als regel al in de vooringevulde aangifte staat vermeld. Ik kom hier zo nog op terug. De andere beleggingen en de schulden worden door de belastingplichtige zelf in de aangifte opgenomen en dat zal niet veranderen.

Een tweede reden om nog nader onderzoek te doen is de mogelijke gevolgen voor de inkomensafhankelijke toeslagen. Aangezien deze regelingen zo ingewikkeld en zo inconsequent zijn vormgegeven is het denkbaar dat daar veel tijd mee gepaard gaat. Dit betekent echter niet dat de wijziging op zich hoeft te laten wachten. Alle regelingen die aansluiten bij de omvang van het box 3-vermogen hoeven – vooralsnog – geen wijziging te ondergaan, want de drie bepalende elementen voor de omvang van dat vermogen wijzigen niet en zijn dus bekend bij de fiscus en kunnen daarom ook gebruikt worden voor de berekening van toeslagen. Voor zover de toeslagen afhankelijk zijn van de omvang van de box 3-inkomsten vindt wel een wijziging plaats, want de spaarders zullen onder het nieuwe box 3-systeem een veel lager box 3-inkomen hebben. Voor zover dat leidt tot meer/hogere aanspraken van deze groep burgers, lijkt me dat een wenselijk gevolg. De draagkracht van deze groep was immers al jaren kleiner dan fictief werd verondersteld. Uit de aard der zaak is er een groep kleine beleggers die er wel op achteruit zal gaan, want in de huidige systematiek worden zij geacht het grootste deel van hun vermogen in de vorm van spaargelden te beleggen, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Het fictieve rendement dat zij vanaf 2022 worden geacht te maken zal dan echter als regel meer in overeenstemming zijn met hun langjarig gemiddeld rendement, dus deze ‘correctie’ lijkt terecht. De omvang is veelal beperkt, wat duidelijk wordt aan de hand van een voorbeeld van een kleine belegger bij wie de huidige laagste vermogensschijf van € 71.650 geheel bestaat uit andere bezittingen dan spaargeld (in het huidige systeem wordt er bij deze categorie van uitgegaan dat 33% van zijn vermogen bestaat uit beleggingen en de rest uit spaargeld). Het gaat dan om een verhoging van het inkomen van 5,24% (=5,33% − 0,09% ) × 48.005 (=71.650 × 67%), oftewel € 2.515. Indien sprake is van geheel gefinancierde beleggingen is het extra inkomen slechts ruim € 1.100. De effecten op de toeslagen voor deze vermogende particulieren zijn beperkt en passend binnen de inkomstenbelasting. Overigens werd bij de invoering van het huidige box 3-systeem in 2017 een dergelijk onderzoek niet nodig geacht, terwijl ook toen ingrijpende wijzigingen plaatsvonden.

Het derde argument is wellicht het meest wezenlijke, namelijk het nader onderzoek om misbruik in de vorm van rendements-(en daarmee belasting)arbitrage door het zogeheten intra-box 3-hoppen te voorkomen. De veronderstelde rendementen voor spaargelden en andere beleggingen wijken immers zeer af, zie ook hieronder (voor de omvang van de schulden geldt in wezen – ook onder het huidige systeem – hetzelfde). Als uitgangspunt geldt dat het een belastingplichtige vrijstaat om te beleggen op de wijze die hem/haar goeddunkt en dat geldt evenzeer als een burger om hem moverende redenen besluit om zijn aandelen te verkopen en het geld op een spaarrekening te zetten (het omgekeerde gebeurt overigens evenzeer, maar daarin schuilt geen risico van belastingarbitrage, omdat hij dan wordt geconfronteerd met een hoger fictief rendement). Het in theorie beste systeem zou zijn om op dagelijkse basis te meten hoeveel geld de belastingplichtige op zijn spaarrekening(en) heeft. In de praktijk is dat ondoenlijk, omdat dan een enorme hoeveelheid data moet worden verzameld door zowel Nederlandse als ook buitenlandse banken. Het heeft om reden van eenvoud de voorkeur om het huidige systeem met als peildatum 1 januari van het relevante belastingjaar te handhaven, maar dan wordt de calculerende burger wel op het spaarspek gebonden. Immers als hij zijn andere beleggingen op 31 december liquide maakt en op 2 januari deze beleggingen weer terugkoopt, mist hij als regel amper rendement, maar wordt hij op 1 januari belast op basis van zijn lage spaartegoedrendement. Het moge duidelijk zijn dat dit niet de bedoeling is, maar de hamvraag is hoe dit kan worden voorkomen. Nu zullen niet alle beleggingen makkelijk liquide te maken zijn, denk bijvoorbeeld aan onroerende zaken en aandelen in niet-beursgenoteerde vennootschappen, maar voor beursgenoteerde effecten, zoals beursaandelen en obligaties, ligt dat anders. Sinds de huidige Wet op de inkomstenbelasting in 2001 is ingevoerd kan zich dit fenomeen al voordoen door het overhevelen van vermogen uit box 3 naar box 1 of 2. De wetgever heeft dit destijds onderkend en maatregelen getroffen om dat box-hoppen sterk te ontmoedigen. Ook bij de nieuwe vormgeving kan dit ‘hoppen’ worden ontmoedigd door additionele peildata op te nemen, waardoor tijdelijke stalling, dat wil zeggen het onderbrengen van de beleggingsgelden gedurende een periode van drie of zes maanden (zie de huidige antibox-regels), wordt bestraft met een dubbele heffing. Gezien het lage spaargeldrendement zou de gedachte post kunnen vatten dat sprake is van een spel zonder nieten. Als de Belastinginspecteur niets merkt, wordt het fictieve hoogrenderende vermogensbestanddeel immers ten onrechte als spaargeld beschouwd, en merkt hij het wel dan wordt het spaargeld beschouwd als andere belegging (met het hoge fictieve rendement), maar dat was ook het geval zonder te hoppen. Als de belastingplichtige wel hopt, maar ten onrechte de hiervoor voorgestelde anti-intra-box 3-hoppingregels niet toepast, zal als gevolg van zijn handelen te weinig inkomstenbelasting worden geheven, zodat wel de mogelijkheid bestaat dat hem een boete wordt opgelegd. Dit leidt ertoe dat hij het ‘hop’-spel niet geheel zonder risico kan spelen, maar mogelijk vindt de wetgever dit boeterisico onvoldoende garantie om het hoppen tegen te gaan. Als de hoppende burger buiten het bereik van deze antimisbruikregels wil blijven zal hij bereid moeten zijn om daadwerkelijk rendement gedurende een tijdvak van drie of zes maanden (afhankelijk van de lengte van de wenselijke stallingstermijn) op te geven. Dat maakt het hoppen minder aantrekkelijk, maar zal niet iedere burger ontmoedigen om een poging te wagen als door de bank slechts het spaartegoed op 1 januari wordt opgegeven. Het ligt daarom – uitgaande van een stallingstermijn van drie maanden – voor de hand om de banken ook te vragen om informatie per 1 oktober van het voorafgaande jaar aan te leveren (een reële lastenverzwaring, zij het niet om de gegevens te verzamelen, want kwartaaloverzichten verstrekken is voor de banken al bekend).

Voor zover het spaartegoed op 1 januari gelijk aan of kleiner is dan het tegoed op 1 oktober is hoppen niet aan de orde. Voor zover het spaartegoed op 1 oktober groter is, kan dat wel aan de orde zijn. Om de burger en de fiscus niet te vermoeien met – relatief – kleine fluctuaties, zou een grens van € 100.000 spaargeld aangehouden kunnen worden, wat betekent dat de calculerende burger (€ 100.000 × 5,33% *33% =) € 1.749 extra nettorendement kan maken, waarbij er gemakshalve van uit wordt gegaan dat hij ‘slechts’ 5,33% rendement behaalt (indien de belegging geheel is gefinancierd is het extra rendement aanmerkelijk lager). Dit is an sich een groot bedrag, maar het zal de uitvoering vergemakkelijken en deze drempel kan van jaar tot jaar worden aangepast indien daartoe aanleiding zou bestaan. Uit de aard der zaak bestaat de mogelijkheid dat de burger niet aan het hoppen is, maar zijn spaartegoed toch is toegenomen in het laatste kwartaal: (eindelijk) de hoofdprijs in de staatsloterij, een schenking/erfenis, een vertrekvergoeding, de verkoop van de eigen woning, de onderneming, of de aandelen in het familiebedrijf. Het ligt voor de hand dat hem dan de mogelijkheid wordt geboden om tegenbewijs te leveren. Tegenbewijs dat vrij eenvoudig is te verifiëren, maar wel betekent dat de regeling administratief verzwaard wordt. Eenvoudiger zou het zijn om hem de mogelijkheid te geven te laten zien wat zijn spaartegoed was op 1 juli (of 1 april) van het belastingjaar, dus zes maanden na de reguliere peildatum. Is het dan nog even hoog als op 1 januari, dan wel niet meer dan € 100.000 gedaald, dan wordt aangenomen dat geen sprake is van intra-box-hoppen en wordt uitgegaan van het spaarrendement en niet van het hogere beleggingsrendement (desgewenst kan de belastingplichtige die niet aan deze additionele voorwaarden voldoet in staat worden gesteld om tegenbewijs te leveren, maar dat leidt wel tot meer uitvoeringslasten). Ook hier zouden de banken – in de vorm van het aanleveren van informatie op de derde peildatum – een rol kunnen spelen, maar of dit wenselijk is, is afhankelijk van de vraag hoeveel additionele inspanning deze informatieverstrekking vergt in verhouding tot het aantal belastingplichtigen dat ‘last’ heeft van deze ‘najaarsmeevallers’. Perfect is dit systeem niet, maar het zal voor een groot deel van de burgers die te maken hebben met box 3-problematiek afdoende zijn, terwijl de calculerende belastingplichtige vóór 1 oktober van een belastingjaar (de eerste aanvullende peildatum) moet bedenken of hij een fiscale rendementsgok wil wagen. Hij weet dan uit de aard der zaak niet of die gok goed uit zal pakken, want wellicht loopt hij een veel hoger daadwerkelijk rendement op zijn effecten mis. Dat betekent dat dan geen sprake is van een spel zonder nieten, maar van een echt kansspel dat voor veel burgers waarschijnlijk niet aantrekkelijk zal zijn. Afhankelijk van de (fictieve) rendementspercentages in beide categorieën, kunnen de peildataspelregels desnoods jaarlijks zodanig worden bijgesteld dat het vrijblijvende, risicoloze intra-box 3-hoppen zeer beperkt zal zijn.

Invoering per 2020 is heel goed mogelijk

Invoering met ingang van belastingjaar 2020, dus twee jaar eerder, acht ik heel wel mogelijk, want de gegevens hoeven voor de burger en de fiscus pas begin 2021 voorhanden te zijn, dat wil zeggen over een kleine anderhalf jaar. De aanpassingen in de computersystemen van de Belastingdienst zijn niet ingewikkelder dan die van 2017 en ook van de banken wordt een niet al te grote extra inspanning – twee of drie data per rekening in plaats van één – gevraagd. Omdat het duidelijk is dat de mogelijke rendementsarbitrage het lastigste is om goed te regelen, zou kunnen worden overwogen dat deze pas in een algemene maatregel van bestuur met terugwerkende kracht wordt geregeld in de loop van 2020. Doordat de vormgeving nog niet bekend is, heeft dat als extra voordeel dat belastingplichtigen niet kunnen inspelen op de vormgeving van de nieuwe regeling, zodat de intra-box-hopproblematiek voor 2020 zeer beperkt zal zijn.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Auteur(s)
Roland Brandsma
PwC/ Universiteit van Amsterdam/Nyenrode
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/42
Judoreg
NFB2759
Publicatiedatum
27 september 2019

X