Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van X (belanghebbende) inzake aanslagen IB/PVV en Zvw wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De stelling van X dat sprake is van verschoonbaarheid wegens nalatigheid van de voormalig gemachtigde heeft de Rechtbank verworpen.
X heeft in hoger beroep betoogd, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Widdershoven van 7 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:476, NLF 2023/2085, met noot van Wiggers) en het wetsvoorstel ‘Versterking waarborgfunctie Awb’, dat een beroep op verschoonbaarheid bij een termijnoverschrijding ruimhartiger beoordeeld moet worden dan de Rechtbank heeft gedaan.
Ten aanzien van de conclusie merkt Hof Den Bosch op dat deze stelt dat een termijnoverschrijding door een gemachtigde in beginsel onverschoonbaar is (r.o. 1.4 en 7.18). De door de A-G genoemde uitzonderingen doen zich hier niet voor. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de eerdere gemachtigde van X niet deskundig of professioneel was. Ook in het door X genoemde wetsvoorstel ziet het Hof geen aanknopingspunten om de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar te achten.
Het hoger beroep is ongegrond.
BRON
Uitspraak op het hoger beroep van belanghebbende, wonend in woonplaats, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 april 2022, nummers BRE21/580 tot en met 21/589, in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft voor de jaren 2011 tot en met 2014 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijk bijdragen Zorgverzekeringswet opgelegd.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , als gemachtigde van belanghebbende, en de voormalige partner van belanghebbende [persoon] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 22/00839 tot en met 22/00844 ten name van [persoon] .
1.7. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.Belanghebbende heeft tijdens de zitting tevens e-mail correspondentie met een eerdere gemachtigde in kopie overgelegd aan het hof en aan de ander partij.
1.9. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.10. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
2.1. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voor de jaren 2011 tot en met 2014 opgelegde (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen Zorgverzekeringswet met aanslagnummers [aanslagnummer] .H.17.01, -W.17.01.4, -H.27.01, -W.27.01.4, -H.37.01, -W.37.01.4, -H.46.01 en - W.46.01.4 (hierna: de aanslagen).
2.2. Bij uitspraak op bezwaar van 13 april 2018 zijn de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.3. Bij brief van 3 februari 2021 is belanghebbende bij de rechtbank in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Bij dit beroepschrift zijn enkele bijlagen gevoegd. Ten aanzien van de eerste bijlage staat in het beroepschrift het volgende vermeld:
“Cliënt verstrekte mij het bijgaande (*) aan uw Rechtbank gerichte door de vorige gemachtigde opgestelde beroepschrift met dagtekening 17 mei 2018 inzake bovengenoemde (navorderings-)aanslagen.”
Ten aanzien van de tweede bijlage staat in het beroepschrift het volgende vermeld:
“Bijgaand (*) treft u eveneens aan de brief van Rechtbank Den Haag van 18 september 2020 aan de vorige gemachtigde waarbij de ontvangst van het beroepschriften na verwijzing door de Rechtbank-Zeeland-West-Brabant wordt bevestigd.”
2.4. Op 9 juni 2021 is het beroep nader gemotiveerd.
2.5. De rechtbank Den Haag heeft op 7 februari 2022 aan belanghebbende een brief gestuurd met de volgende inhoud:
“Als bekend heeft de rechtbank Den Haag u bij brief van 3 juni 2021 bericht over de vraag of bij deze rechtbank zaken aanhangig zijn van uw cliënten de heer [belanghebbende] en mw. [persoon] . Bericht is dat van deze personen geen zaken aanhangig zijn. Daarbij is stil gestaan bij de stukken die lijken te stellen dat er wel zaken aanhangig zijn hier, te weten brieven die de ontvangst lijken te bevestigen van de Zaaknummers SGR 20/5370 en SGR 20/3374. Bericht is dat (deze) dossiers van uw cliënten hier niet bekend zijn. Toegelicht is dat bij de vorige gemachtigde navraag is gedaan maar dat dit geen opheldering heeft gebracht.Verder is toegelicht dat navraag is gedaan bij de LDCR omdat gesteld is dat griffierecht is betaald voor die genoemde maar hier niet herkende zaken. De LDCR berichtte dat de genoemde griffierecht betalingen niet zijn gevonden in de administratie van de LDCR. Met dit nodige onderzoek is u bericht dat de zaken helaas hier niet bekend zijn.In uw brief van 20 december jl. stelt u wederom de vraag aan de orde of er van uw cliënten zaken aanhangig zijn. U stelt dat uit de eerder ingebrachte brieven niet anders kan worden afgeleid dan dat die zaken wel degelijk hier aanhangig zijn. De eerdere vaststelling in de voornoemde brief van 3 juni 2021 dat u niet verder geholpen kan worden acht u zonder nader onderzoek te voorbarig mede gelet op de betrokken financiële belangen. U vraagt daarom (nogmaals) al het nodige onderzoek naar de gestelde lopende zaken. U geeft aan dat bij de geringste twijfel gekozen zou moeten worden in het voordeel van uw cliënten. U meent dat met zekerheid moet worden vastgesteld dat de brieven (uw bijlage 3) niet van de rechtbank Den Haag afkomstig zijn.Verder geeft u aan dat de griffie meer onderzoek had moeten doen gelet op de authentieke uitstraling van de stukken opgenomen in de eerder genoemde bijlage 3. Ook de LDCR zou meer onderzoek moeten doen. Hoewel weersproken wordt dat het eerdere onderzoek niet volledig is geweest is dezerzijds besloten gelet de door u genoemde belangen nogmaals alle informatie te bezien. Er is weer contact gezocht niet de LDCR. Ik verwijs naar bijlage 1 voor de ontvangen reactie. Men heeft bericht de gestelde 2 betalingen niet te hebben gevonden. Ter toelichting zij vermeld dat nog voor de volledigheid is gezocht op het kenmerk dat u noemt, te weten [kenmerk] . Er is een debiteurnummer [debiteurnummer] maar dat betreft een andere advocaat. Op 4 februari 2022 is nogmaals door de afzender van bijlage 1 (RSC Financieel 088 36 11 001) telefonisch verklaard dat van het rekeningnummer van de [A-bank] genoemd op uw bijlage 4 "betaalbewijzen' nooit enige betaling is ontvangen op het bankrekeningnummer van de LDCR (ING rekening NL5 1 INGB 0705 0049 96).Het is u bekend dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant geen registratie heeft van de ontvangst van de beroepen aldaar noch van het doorzenden van die beroepen naar Den Haag. Aanvullend is van deze zijde contact gezocht met de Belastingdienst met de vraag of bij hen misschien bekend is geworden dat er beroepen zijn ontvangen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant in 2018. Een verwerende partij wordt standaard in kennis gesteld van een ontvangen beroep. Het Centraal Serviceteam Beroep heeft op 22 december 2021 desgevraagd bericht dat geen berichten zijn ontvangen dat er beroep is gaan lopen in 2018 van uw cliënten. Zie bijlage 2.Iedere rechtbank kent zelf zaaknummers toe. Alleen met wetenschap welke rechtbank die zaaknummers heeft toegekend ontstaat een uniek nummer. In deze rechtbank is het gebruikelijk de letters SGR (als afkorting voor 's-Gravenhage) toe te voegen. De zaaknummers starten dus ieder jaar in iedere rechtbank apart met een nieuwe jaar-nummering. Als voorbeeld voor 2022 is dit 22/0001 als eerste nummer. De rechtbank Den Haag was in de week van 18 september 2020 (week 38), de datum genoemd op uw bijlage 3, toe aan het uitgeven van de nummers 20/5914 tot en met 20/6102. Zie voor een overzicht van de die heek uitgegeven zaaknummers in bijlage 3 bij deze brief. Tussen het aanmaken van een nieuwe zaak (toekennen zaaknummers) en het versturen van bericht naar partijen zit een of maximaal enkele dagen tijd. De op uw bijlage 3 gebruikte zaaknummers 20/5370 en 20/5374 vallen in die zin niet te verklaren. Deze nummers zijn in deze rechtbank eerder - op 17 en 18 augustus 2020 - aan andere zaken toegekend. Systeemtechnisch is het ook niet mogelijk voor een rechtbank een zaaknummer 2 keer uit te geven.Tot slot viel hier op dat de zaaknummers genoemd in de als uw bijlage 3 meegezonden beweerdelijke ontvangstbevestigingen van de rechtbank Den Haag dezelfde zaaknummers horden genoemd als zaaknummers die zijn gebruikt door de rechtbank Zeeland-West-Brabant in andere – niet uw cliënten betreffende - zaken van de vorige gemachtigde. Anders gezegd 20/5370 en 20/5374 rijn zaaknummers die aan gemachtigde [gemachtigde 2] door de rechtbank Zeeland-West-Brabant voor andere dossiers zijn toegekend. “
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep van belanghebbende bij de rechtbank ontvankelijk is, meer in het bijzonder of het beroep tijdig was ingesteld en zo nee, of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en terugwijzing naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
4.1. De rechtbank heeft het volgende overwogen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep.
‘Tijdigheid beroep3.4. De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn eindigde op 25 mei 2018. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.3.5. Gelet op de brief van de rechtbank Den Haag en de informatie daarin acht de rechtbank niet aannemelijk dat tijdig beroep is ingesteld met de brief van 17 mei 2018. Voor het overige zijn er ook geen stukken die binnen de beroepstermijn zijn ingediend.3.6. De voormalig gemachtigde heeft op 20 augustus 2018 een stuk bij de inspecteur ingediend dat als beroep moet worden aangemerkt. Vervolgens is ook op 3 februari 2021 een beroepschrift bij de rechtbank ontvangen van de huidige gemachtigde van belanghebbende. Gelet op de (eerste) datum van indiening is het beroepschrift niet tijdig ingediend.Verschoonbare termijnoverschrijding 2011 tot en met 2014?3.7. De wetsartikelen over beroepstermijnen zijn dwingend van aard. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien "redelijkerwijs niet kan korden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest", oftewel indien de termijnoverschrijding `verschoonbaar' is.3.8. Ten aanzien van de termijnoverschrijding stelt belanghebbende dat sprake is van verschoonbaarheid wegens nalatigheid van de voormalig gemachtigde.3.9. De rechtbank is van oordeel dat deze reden de overschrijding niet verschoonbaar maakt. Belanghebbende is namelijk zelf verantwoordelijk voor het bewaken van de beroepstermijn en voor het tijdig indienen van een beroepschrift. Dat dit laatste door de voormalig gemachtigde niet is gebeurd, komt voor rekening van belanghebbende.3.10. Belanghebbende heeft in dat geval aangevoerd dat naar alle omstandigheden van het geval gekeken moet worden en dat het belang van belanghebbende ook een omstandigheid is.3.11. De rechtbank oordeelt dat een overschrijding van de beroepstermijn slechts dan verschoonbaar is als, zoals hiervoor vermeld, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het moet gaan om een omstandigheid die buiten de risicosfeer van belanghebbende heeft gelegen. Vaste rechtspraak van Gerechtshoven en de Hoge Raad is dat handelen of nalaten (dus ook fouten) van de gemachtigde van een betrokkene in liet kader van de verschoonbaarheid voor risico van de betrokkene komen. In bijzondere omstandigheden kan miscommunicatie en/of onenigheid met een gemachtigde leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding, bijvoorbeeld als de gemachtigde tijdens de looptijd van de beroepstermijn de samenwerking beëindigt en de belanghebbende de breuk nog tracht te lijmen en zodoende de termijn verstrijkt, maar daarvan is hier geen sprake. De rechtbank ziet in de gang van zaken die zich hier heeft voorgedaan, geen bijzondere omstandigheid die moet leiden tot het aannemen van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat belanghebbende volledig heeft vertrouwd op de voormalig gemachtigde ligt in zijn risicosfeer.3.12. De stelling van belanghebbende dat niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen heeft, kan belanghebbende niet helpen. De wetsartikelen over beroepstermijnen zijn namelijk — zie hiervóór— dwingend van aard. De wet biedt niet de mogelijkheid om aan de termijnoverschrijding voorbij te gaan op de grond dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. Immers is het inherent aan de dwingende termijnbepalingen dat deze tot nadelige gevolgen voor een belanghebbende kunnen leiden.’
4.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep betoogd, onder verwijzing naar de conclusie van Raadsheer Advocaat-Generaal Widdershoven (hierna: de A-G) van 7 september 2023 en het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb, dat een beroep op verschoonbaarheid bij een termijnoverschrijding ruimhartiger beoordeeld moet worden dan de rechtbank heeft gedaan.
4.3. Ten aanzien van de genoemde conclusie van de A-G merkt het hof op dat deze stelt dat een termijnoverschrijding door een gemachtigde in beginsel onverschoonbaar is. De door de A-G genoemde uitzonderingen doen zich hier niet voor. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de eerdere gemachtigde van belanghebbende niet deskundig of professioneel was. Ook in het door belanghebbende genoemde wetsvoorstel ziet het hof geen aanknopingspunten om de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar te achten.
4.4. Het hof acht de overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Hetgeen in hoger beroep is gesteld leidt niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.5. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, A.J. Kromhout en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.