Direct naar content gaan

Samenvatting

Kort gezegd doet zich in 2006 de volgende situatie voor. Twee broers bezitten ieder de helft van aandelen in een BV, maar de ene broer bezit uitsluitend preferente aandelen en de ander de gewone aandelen. De BV bezit een winkelpand en woningen, waarvan het winkelgedeelte middellijk is verhuurd aan de broer met de gewone aandelen. Zij willen uit elkaar en wensen de BV daarom te splitsen in twee BV’s. Het doel is dat het gehele vastgoedcomplex terecht komt in de gesplitste BV van de broer met de gewone aandelen. In de gesplitste BV van de andere broer zullen slechts liquiditeiten komen die verkregen worden doordat ten laste van de BV die de exploitatie van het vastgoed voortzet een lening wordt aangegaan. De inspecteur wijst het verzoek om toepassing van de splitsingsfaciliteit af.
Het Hof heeft deze beschikking van de inspecteur in stand gelaten. Het oordeelde dat de voorgenomen splitsing als enig doel heeft een alternatieve route te vormen voor de feitelijke uitkoop van een aandeelhouder en dat er sprake is van het zodanig uitstellen van belasting dat strijd met doel en strekking van de Richtlijn 90/434/EEG (betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten) ontstaat.
Dit oordeel is niet onjuist, niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad. Het cassatieberoep van de BV wordt ongegrond verklaard.
Anders A-G Wattel.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2006
Instantie
HR
Datum instantie
29 juni 2012
Rolnummer
10/00807
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BP6629
ECLI:NL:PHR:2012:BP6629
bwbr0002672&artikel=14,bwbr0002672&artikel=14&lid=4,bwbr0002672&artikel=14a,bwbr0002672&artikel=14a&lid=5,bwbr0002672&artikel=14a&lid=6,bwbr0002672&artikel=14b,bwbr0002672&artikel=14b&lid=5

Naar de bovenkant van de pagina