Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Hoezo Januskop?! Het scheelde maar een haar of Nederland was door de EU bestempeld als belastingparadijs. En de OESO wijst met een beschuldigende vinger naar Nederland, omdat internationale bedrijven door ons toedoen te weinig belasting zouden betalen. Tegelijkertijd doet de Belastingdienst zijn best burgers en bedrijven aan te slaan voor een ‘fair share’, een eerlijke bijdrage aan onze verzorgingsstaat. Dus waar zijn we nou helemaal mee bezig?! Dit was het thema van het op 17 april 2018 gehouden symposium van de Vereniging van Hogere ambtenaren bij het ministerie van Financiën (VHMF). Paul de Haan woonde het symposium bij.

‘When regimes lose the Mayflower-Compact-like cooperation of their people, their power evaporates.’ (Hannah Arendt, On Revolution)

Afgelopen week was ik bij het jaarlijkse symposium van de VHMF met als titel ‘De Januskop van Belastingen’. Sprekers waren René ten Bos, Hans Gribnau, Arjo van Eijsden en Leo Stevens, de alom aanwezige. René ten Bos ging als Denker des Vaderlands (‘ ik denk niet zoveel hoor, ik lig vaak in de zon’) in op complexiteit, bureaucratie en personificatie. Afgezien van een terloopse verwijzing naar de significante naheffingsaanslag omzetbelasting die zijn club FC Twente had ontvangen, ging het verder niet over belastingen, maar wel over de context. Bureaucraten kunnen vervelend zijn – zo sprak Ten Bos – maar vormen wel een buffer tegen ontspoord leiderschap en – zeg ik gelet op het hiernavolgende – ontspoord beleid. De reactie op bureaucratie is dat mensen zich terugtrekken uit het grote geheel, mensen keren in zichzelf. Dit is de ‘personificatie’ van de samenleving. Nu is niet meer de vraag hoe je je verhoudt tot het geheel of de gemeenschap, maar tot jezelf, het gaat om authenticiteit en integriteit die zijn losgezongen van een relationele context.

Ten Bos wees ook op de misvatting dat empathie en medelijden als basis voor sociale rechtvaardigheid kunnen dienen en op het merkwaardige geflirt met (charismatisch) leiderschap. Met dat laatste hebben we in de vorige eeuw veel ervaring gehad. Maar ja, mensen vergeten snel: wie weet nog wie Bhagwan of, onvergelijkelijk veel erger, Eichmann was? Empathie werkt alleen in de kleine, intieme kring, in zijn geval door Ten Bos geschat op 10-12 mensen. Hij bepleit een koele solidariteit. Collega-filosoof Marieke Borren praat in een bespreking van Arendts opvattingen hieromtrent over koelere liefde.1 Dit kan al snel verkeerd begrepen worden. Dus ter verduidelijking: Arendt wijst alleen maar op de eenvoudige wijsheid dat naast kwaadaardigheid, ook de beste bedoelingen tot desastreuze gevolgen kunnen leiden. De Jakobijnen kwamen tijdens de Franse Revolutie oprecht op voor de arme, broze mens en eindigden met het massaal afslachten van die mensen. Daarom koos Arendt voor een tussenruimte. Tussen goedbedoelende mensen en de kille materie moet politiek handelen zijn van mensen die een publieke ruimte – ‘de wereld’ – vormgeven en afbakenen. Een essentieel onderdeel van haar denken was de mogelijkheid door politiek handelen iets nieuws te beginnen. De westerse filosofie was in haar visie veel te veel bezig geweest met dood en denken; zij stond voor leven, geboorte en handelen. Dus de Januskop had ook bij Arendt twee kanten, waarbij de ene kant – het einde – veel meer aandacht had gekregen dan de andere – het begin. Een opmerkelijk optimistische visie voor iemand die als Jodin stateloos uit nazi-Duitsland moest vluchten en het kwaad letterlijk in de ogen had gekeken.

Gribnau had een indrukwekkend verhaal met concrete aanwijzingen en suggesties hoe invulling te geven aan het begrip magistratelijkheid. Ik denk dat we uiteindelijk het begrip naar spraakgebruik kunnen omschrijven met fatsoen en zorgvuldigheid. De opening ontleende Hans Gribnau aan de vermaarde strip Charlie Brown. De hond Snoopy schrijft daarin een brief aan de IRS waarin hij vraagt hem van hun mailinglist te verwijderen. Een grootmeesterlijke openingszet.

Verder kwamen Arjo van Eijsden en staatsecretaris Menno Snel aan bod. De staatssecretaris kon daarmee enigszins goedmaken dat zijn ambtelijke top ontbrak op deze zo belangrijke middag. Een mijns inziens onbegrijpelijke afwezigheid. Stevens maakte daar terecht plenair een punt van.

De dag na het symposium had Berentsen al een verslag in het FD2, wat ik een bijzondere prestatie van hem vind. Hulde! Hij geeft een mooie, beknopte weergave van de opdracht die Stevens als een moderne Jeremia springpuntig door de zaal galmde: ik ben het beu, ik ben het zat! Heerlijk, die Oudtestamentische boutade: ‘en die de wet hanteerden, kenden Mij niet; de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl. En wandelden dingen na die geen nut doen.’3 Wat is Leo zat? In de journalistieke stilering van Berentsen: ‘ Belastinginspecteurs mogen zich niet laten degraderen tot verlengstuk van de computer bij het opleggen van aanslagen en de dienst moet ophouden lijdzaam ondeugdelijke wetgeving te aanvaarden.’

Een gedenkwaardig moment was waar Stevens springend en hippend aan de wel-aanwezige Joop van Lunteren (oud-directeur-generaal) vroeg hoe dat vroeger ging. Van Lunterens reactie gaf te denken. Het kwam erop neer – in mijn woorden – dat in zijn tijd de ambtelijke top wel degelijk tegenspel bood en kon bieden, maar dat tegenwoordig ambtenaren bij kritiek (te) snel van deloyaliteit worden beschuldigd.4 (Van Lunteren voegde toe dat dat probleem zijns inziens niet alleen bij belastingen speelde.) Het emotionele en (licht?) provocerende betoog van Stevens trof doel. Hij wendde meesterlijk voor ‘zot en troebel’5 te zijn en relativeerde daarmee zijn woede tot ongevaarlijk, zonder zijn boodschap uit het oog te verliezen. Iets wat in oude tijden de hofnar voor de koning deed. Probeer dit niet thuis, jongens en meisjes, alleen de heel groten kunnen dit. Een prachtige balans tussen betrokkenheid en afstand. Koele, gespeelde, maar toch gemeende solidariteit.

Siddering op siddering ging door de zaal en een revolutionaire geest begon voorzichtig bezit te nemen van de aanwezigen. Het deed me denken aan de oproep van anchorman Howard Beale (Peter Finch) aan het Amerikaanse tv-kijkende volk in de film Network: ‘I’m as mad as hell, and I’m not going to take this anymore!’6

Het fascinerende van Stevens is dat hij theatrale en volkstribuun-achtige talenten combineert met een enorme daadkracht en wetenschappelijke zeggingskracht. Direct na het symposium kregen wij zijn fiscale novelle ‘Vertrouwen in de toekomst; vertrouwen in elkaar’, een titel die veel beter is dan de titel ‘En dan is er koffie’7 maar verder enigszins uitgekauwd. De inhoud liegt er niet om. Stevens verzucht na een opsomming van fiscale ellende met betrekking tot onder meer de Broedkamer, verziekte werkverhoudingen,8 dat die: ‘mij over de streep trokken om een onafhankelijke toezichthouder te bepleiten’.

De Telegraaf pakte dit snel op – ook hulde – en wist haar columnist Vermeend te verleiden tot commentaar. Vermeend vond het een sympathiek idee, maar achtte het onhaalbaar.

Er is een man die credits verdient voor het (her)agenderen van dit idee en dat is mijn en uw (co-)opinista Fred van Horzen, daartoe geïnspireerd door een interview met Frits Sobels. Sobels verwees in het interview naar Ali Noroozi, de Inspector-General of Taxation in Australië. Het leek Frits een goede zaak als we in Nederland ook een dergelijke functie zouden krijgen.9 Naar aanleiding van dit interview heeft Fred wat uitzoekwerk gedaan en daar een opinie over geschreven.10 Fred schrijft daarin dat de Inspecteur-Generaal van Belastingen (IGB) – door hem ook Inspector-General of Taxation (IGT) genoemd – ‘het voortouw kan nemen bij de Investeringsagenda van de Belastingdienst. Maar ook andere actuele zaken kunnen moeiteloos door de IGT [IGB in het Nederlands, PdH] onder handen worden genomen. Denk aan het monitoren van de APA-/ATR-praktijk, waar bij sommige parlementariërs de indruk bestaat dat de staatssecretaris te terughoudend of te passief is met het delen van relevante ontwikkelingen op het vlak van de rulings en het toezicht op de substancevereisten. Denk ook aan het toezicht op het uitwisselen van belastingrulings, etc.’

Zijns inziens zou dit instituut ingebed moeten worden in de structuur van de Rekenkamer. Australië kent al een dergelijk instituut; ik mag verwijzen naar http://igt.gov.au/ en voor een inkijkje in de feitelijke werkzaamheden van deze functionaris, de heer Noroozi, naar http://www.abc.net.au/radio/programs/am/ato-investigation-important-to-regain-public-trust:-noroozi/9640074.

Na een (in hedendaags jargon) superboeiende middag met de hoge ambtenaren van Financiën te hebben doorgebracht en gelouterd door lezingen van zeer hoog niveau, kan ik alleen maar Freds en Leo Stevens’ gelijk bevestigen: we hebben een IGB nodig!

Het is ook nu weer raak: Trouw bericht over geheime memo’s, betrekking hebbende op het afschaffen van de dividendbelasting die door Van de Streek en Nouwen zijn ‘gewobd’, maar niet worden gedeeld omdat het interne beraadstukken en persoonlijke opvattingen betreffen. De procedure loopt. Ook dit wordt weer een eindeloos verhaal van trekken en duwen waar politiek opportunisme het zal winnen van prudentie en stabiliteit. In de huidige politiek gepolariseerde en verwarde wereld is meer nodig dan een premier die verzekert dat het allemaal wel goed komt. Gezag is niet vanzelfsprekend en de fiscale stand van zaken vraagt om een specifieke, onafhankelijke toezichthouder. Inbedding in de Rekenkamer zoals Fred van Horzen voorstaat is een efficiënte oplossing. Het sluit naadloos aan op het betoog van René ten Bos over bureaucraten als buffer voor (of liever tegen) opportunisme. En tot slot vind ik dat Leo Stevens ere-Inspecteur Generaal van Belastingen moet worden en Hans Gribnau de Inspecteur zelve. In dat geval voorkomen we ook pijnlijk ontoereikend toezicht zoals we recent hebben kunnen vernemen bij de parlementaire mini-enquête over fiscale constructies: 14 jaar (wan)toezicht op een trustsector die tot niets positiefs heeft geleid. Een bureaucratie en zeker een toezichthouder heeft mensen nodig met hart, ballen, fides en ratio. Stevens en Gribnau voldoen aan die ‘functievereisten’.

NB: Met dank aan Gitte Heij voor de Australische IGT-context.

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/23
Judoreg
NFB2177
Publicatiedatum
3 mei 2018

X