Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(2)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(2)
  • Recent

X (belanghebbende) en zijn partner (hierna: Y) hebben op 28 december 2015 een schriftelijke overeenkomst ondertekend waarin is vermeld dat zij een fonds voor gemene rekening zijn aangegaan. Y heeft een bankrekening met een waarde van € 1.002.404 ingebracht in ruil voor 97,85% van de participaties in het fonds. X heeft een bankrekening met een waarde van € 22.000 ingebracht in ruil voor 2,15 % van de participaties. Y is aangesteld als beheerder en bewaarder van het fonds. Het fonds is op 12 juli 2016 opgeheven.


X stelt in deze procedure over de aanslag IB/PVV 2016 dat het fonds kwalificeert als een OFGR (open fonds voor gemene rekening), zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, Wet VpB 1969, en dat zijn participaties in het fonds om die reden kwalificeren als een aanmerkelijk belang. De Inspecteur betwist dat het fonds kwalificeert als een OFGR.


Rechtbank Gelderland oordeelt dat geen sprake is van een OFGR. X noch Y zijn civielrechtelijk bevoegd om te beschikken over het vermogen dat op de bankrekening van de ander is gestald. Y kan ook niet als bewaarder/beheerder van het fonds beschikken over het vermogen dat op de bankrekening van X staat. X kan bovendien zonder toestemming van de bewaarder/beheerder van het fonds over zijn bankrekening beschikken. Er is geen sprake van een fonds met een afgescheiden vermogen. Omdat de voorwaarden voor een OFGR cumulatief zijn, hoeven de overige voorwaarden niet besproken te worden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Het beroep is ongegrond.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2016
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum instantie
9 november 2021
Rolnummer
20/2292
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2021:5963
bwbr0002672&artikel=2&lid=3

X