Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

De Eritrese diasporabelasting heeft tot een diplomatieke rel geleid tussen Nederland en Eritrea. In deze opinie gaat Fred van Horzen in op de voorgeschiedenis van de rel. Ook gaat hij in op de vraag of het gespierde optreden van Nederland zich tegen Nederland kan keren.

Eind september 2017 schreef ik een opinie waarin aandacht werd besteed aan de Eritrese diasporabelasting.1 Het ministerie van Buitenlandse Zaken had die maand een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over deze belasting, die door Eritrea wordt geheven van haar onderdanen die zich in den vreemde bevinden. Het heffen van belasting van onderdanen die zich buiten de eigen landsgrenzen bevinden, is in beginsel rechtsgeldig. Denk aan onze woon- en vestigingsplaatsficties. Dit soort heffingen van onderdanen in den vreemde kunnen worden getraceerd naar Exodus 30, verzen 11-16, waarin wordt gesproken over de tempelbelasting in Jeruzalem. Echter, inning van de Eritrese belasting vindt vaak met dwang en intimidatie vanuit Eritrese consulaten en ambassades plaats, ook in Nederland. In de brief van september is dit uitgebreid beschreven. Daarna is de problematiek rond de diasporabelasting geëscaleerd. De brief leidde in oktober 2017 tot een groot aantal vragen vanuit de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, die in november 2017 uitvoerig werden beantwoord.2 Op 20 december 2017 volgde een debat in de Tweede Kamer. Tijdens het debat werd een drietal moties ingediend. De leden Sjoerdsma (D66) en Azmani (VVD) verzochten de regering om de Eritrese ambassade in Den Haag te sluiten. De leden Karabulut (SP) en Van Ojik (GroenLinks) verzochten de regering te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor een verbod op de diasporabelasting. Van Helvert (CDA) verzocht de regering binnen een jaar wetgeving voor te stellen die onder meer het gedwongen innen van de Eritrese diasporabelasting onmogelijk en strafbaar maakt.3 De felheid van de Kamerleden hield verband met het feit dat het radioprogramma Argos in het bezit was van geheime opnamen waarop te horen was dat de Eritrese consul een Eritrese vluchteling onder zware druk zet om de belasting te betalen. Ook diende de vluchteling in kwestie akkoord te gaan met een niet nader genoemde strafmaatregel. Stemming over deze drie moties vond plaats op 21 december 2017. De motie Van Helvert werd niet aangenomen; de beide andere moties wel.4 Mede naar aanleiding van het debat en de uitzending van Argos heeft een gesprek plaatsgevonden tussen minister Zijlstra van Buitenlandse Zaken en de hoogste baas in Nederland van de Eritrese consul. Kennelijk was dit een stevig gesprek van beide kanten, met Zijlstra als winnaar op punten. Het eindresultaat was namelijk dat de hoogste Eritrese diplomatieke vertegenwoordiger in Nederland, ons land vóór 1 februari aanstaande dient te verlaten.5 Het valt toe te juichten dat Nederland opkomt voor de rechten en het fysieke welzijn van vluchtelingen uit Eritrea. Niemand zal ontkennen dat een effectieve belastingheffing gepaard dient te gaan met dwang- en invorderingsmaatregelen voor het geval dat betalingsverplichtingen niet worden nagekomen. Wie zijn Nederlandse belastingen niet betaalt, komt bijvoorbeeld niet in aanmerking voor het verkrijgen van een paspoort. Dat werd begin januari 2018 duidelijk in het proces tegen Willem Holleeder.6 Dwangmaatregelen dienen echter wel rechtsstatelijk te zijn en niet het karakter van afpersing te hebben of gepaard te gaan met (dreiging van) fysiek geweld, zoals structureel het geval lijkt te zijn bij de inning van de Eritrese diasporabelasting. Opvallend is dat de actie van Zijlstra meer in de geest is van het door de Tweede Kamer weggestemde amendement Van Helvert en niet in de geest van de wel aanvaarde moties. Het gespierde optreden van Zijlstra ligt in het verlengde van het optreden van het vorige kabinet in maart 2017 tegen Turkije. De vraag is echter of een dergelijk optreden zich op enig moment tegen Nederland kan keren, bijvoorbeeld in fiscale zaken. Het Nederlandse fiscale beleid ligt internationaal onder vuur. Nu Frankrijk zich steeds meer als leider begint te profileren binnen de EU, denk aan de Franse actie om de Nederlandse pulsvisserij te saboteren, sluit ik niet uit dat de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers binnenkort in Parijs op het matje worden geroepen om tekst en uitleg te komen geven over het Nederlandse internationale fiscale beleid dat als agressief wordt gepercipieerd en over de negatieve Nederlandse grondhouding ten opzichte van Frans/Duitse fiscale initiatieven binnen de EU. In mijn dromen zie ik minister Zijlstra dan afreizen naar Parijs, gehuld in een T-shirt met daarop de tekst ‘Je suis Mata Hari’ om vervolgens Macron mede te delen dat volgens veel Nederlanders Frankrijk, wegens de alom tegenwoordige hurktoiletten, als een shithole country pur sang kwalificeert.

Rubriek(en)
Internationaal belastingrecht
Auteur(s)
Fred van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/4
Judoreg
NFB1244
Publicatiedatum
1 februari 2018

X