Samenvatting
X (belanghebbende) was als woningbouwvereniging in 2014 eigenaar van 101 percelen in de gemeente Stein. Deze percelen beschikken over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool. X is als eigenaar voor ieder perceel afzonderlijk in de rioolheffing betrokken, tegen een tarief van € 224,25 per perceel.
Volgens Rechtbank Limburg heeft de Heffingsambtenaar onvoldoende inzicht gegeven in de lasten en baten van de rioolheffing over het jaar 2014, zodat de verordening jegens X als onverbindend is te beschouwen.
Pas in hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar op inzichtelijke en controleerbare wijze duidelijkheid verschaft over de raming van baten en lasten en heeft hij op navolgbare wijze uitgelegd welke overname-, reken- en telfouten er eerder zijn gemaakt.
Hof Den Bosch oordeelt dat wel sprake is van een overdekking, maar deze bedraagt minder dan 10%. Het Hof concludeert tot partiële onverbindendverklaring van de verordening jegens X in plaats van algehele onverbindendverklaring jegens X en tot vermindering van de aanslagen rioolheffing in plaats van vernietiging.
De stelling van X dat de verordening in strijd is met artikel 9, lid 1, Kaderrichtlijn Water vindt geen steun in het recht. Voorts is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
De Hoge Raad heeft op 28 juni 2024 het beroep in cassatie tegen deze uitspraak verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO.