Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving(1)
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(17)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur(2)
  • Recent(7)
F is een in Frankrijk gevestigde vennootschap die zich bezighoudt met de verhuur van onroerend goed. De moedermaatschappij van F is L, een in Luxemburg gevestigde vennootschap. De Franse belastingdienst is van mening dat de natuurlijke personen die rechtstreeks of onrechtstreeks in Frankrijk gelegen onroerende goederen houden, hiervan aangifte moeten doen. Zij wenst daarom van de Luxemburgse belastingdienst te vernemen wie de aandeelhouders en economisch rechthebbenden van L zijn. Laatstgenoemde belastingdienst heeft vervolgens L bevolen om inlichtingen te verstrekken (aandeelhoudersregister), hetgeen L niet heeft gedaan, waarna een boete is opgelegd.
Over de vraag of dit is toegestaan heeft de Cour administrative (Luxemburg) aan het HvJ prejudiciële vragen gesteld.
Het HvJ verklaart het volgende voor recht:
1) Artikel 1, lid 1, artikel 5 en artikel 20, lid 2, van richtlijn 2011/16/EU (administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen), moeten aldus worden uitgelegd dat een inlichtingenverzoek moet worden geacht betrekking te hebben op inlichtingen die niet kennelijk van elk verwacht belang lijken te zijn ontdaan wanneer de personen naar wie het onderzoek of de controle is ingesteld in de zin van laatstgenoemde bepaling in dat verzoek weliswaar niet individueel en bij naam worden geïdentificeerd maar de verzoekende autoriteit duidelijk en genoegzaam onderbouwt dat zij een gericht onderzoek naar een beperkte groep van personen verricht dat is ingegeven door gegronde vermoedens dat een specifieke wettelijke verplichting niet is nageleefd.
2) Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat een persoon die inlichtingen bezit en:
–  aan wie een administratieve geldboete is opgelegd wegens niet-naleving van een bevel waarbij hem is gelast inlichtingen te verstrekken in het kader van een informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten op grond van richtlijn 2011/16 en welk bevel volgens het nationale recht van de aangezochte lidstaat niet vatbaar is voor beroep, en
– die de rechtmatigheid van dit bevel incidenteel heeft aangevochten in het kader van een beroep in rechte tegen het besluit tot vaststelling van een sanctie die hem wegens niet-nakoming van dit bevel is opgelegd en die aldus pas in de loop van de gerechtelijke procedure betreffende dit beroep kennis heeft gekregen van de in artikel 20, lid 2, van deze richtlijn vermelde minimuminformatie,
over de mogelijkheid moet beschikken om, nadat de rechtmatigheid van dit bevel en dit boetebesluit die jegens hem zijn vastgesteld onherroepelijk is erkend, binnen de termijn waarin het nationale recht daartoe aanvankelijk voorzag gevolg te geven aan het bevel tot het verstrekken van inlichtingen, zonder dat de sanctie waarmee hij is geconfronteerd om zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen uitoefenen, in dat geval wordt gehandhaafd. Enkel wanneer die persoon niet binnen die termijn gevolg geeft aan dat bevel, wordt de opgelegde sanctie legitiem opeisbaar.
Conform Conclusie A-G Kokott (ECLI:EU:C:2021:450, NLF 2021/1257, met noot van Dafnomilis).
Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Formeel belastingrecht
Belastingtijdvak
2012-2016
Instantie
HvJ
Datum instantie
25 november 2021
Rolnummer
C‑437/19
ECLI
ECLI:EU:C:2021:953
bwbv0001506&artikel=267

X