Omgekeerd hybride lichaam en uitzondering alternatieve beleggingsinstelling
Belastingdienst, 23 mei 2024
Gerelateerde content
- Wet en parlementaire geschiedenis(1)
- Internationale regelgeving
- Lagere regelgeving
- Besluiten(2)
- Jurisprudentie(84)
- Commentaar NLFiscaal(6)
- Literatuur(4)
- Recent(5)
- Kennisgroepstandpunt(1)
Samenvatting
Een naar Nederlands recht opgerichte transparante commanditaire vennootschap (hierna: besloten cv) met een Nederlandse fondsbeheerder wordt als beleggingsvehikel gebruikt in een op te zetten fondsstructuur. De besloten cv kwalificeert als een alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, lid 1, onderdeel k, Richtlijn 2011/61 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (hierna: AIFM-richtlijn). De cv wordt door de staat waar de participanten zijn gevestigd als niet-transparant aangemerkt. De besloten cv is dientengevolge een omgekeerd hybride lichaam in de zin van artikel 2, lid 12, Wet VpB 1969 tenzij aan de vereisten wordt voldaan van artikel 2, lid 13, Wet VpB 1969.
Vragen
- Dient artikel 2, lid 13, Wet VpB 1969 zodanig te worden uitgelegd dat een alternatieve beleggingsinstelling (hierna: abi) als bedoeld in de AIFM-richtlijn, ongeacht de gekozen beleggingsvorm en beleggingsstrategie, per definitie onder het bereik van deze bepaling valt?
- Als een abi voldoet aan de vereisten van een ‘een gediversifieerde portefeuille’ en ‘effecten’ uit de aanhef van artikel 2, lid 13, Wet VpB 1969, volgt dan uit het woord ‘beleggen’ in deze aanhef, in combinatie met de verwijzing in onderdeel b naar artikel 4, lid 5, AWR, dat het begrip ‘beleggen’ een aanvullende toets is die dient te worden uitgelegd overeenkomstig het beleggingsbegrip in de zin van artikel 28 Wet VpB 1969?
Antwoorden
- Nee, een alternatieve beleggingsinstelling zoals genoemd in artikel 2, lid 13, onderdeel b, Wet VpB 1969, dient tevens te voldoen aan de vereisten genoemd in de aanhef van artikel 2, lid 13, Wet VpB 1969.
- Nee, met de verwijzing naar artikel 4, lid 5, AWR wordt enkel beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van de AIFM-richtlijn. Voor de toepassing van artikel 2, lid 13, Wet VpB 1969 hoeft geen afzonderlijke fiscale beleggingstoets te worden aangelegd.
BRON
KG:211:2024:9 Omgekeerd hybride lichaam en uitzondering alternatieve beleggingsinstelling
Publicatiedatum 23-05-2024, 16:07 | Laatste update 23-05-2024, 16:50 | Standpunt
Aanleiding
Een naar Nederlands recht opgerichte transparante commanditaire vennootschap (hierna: besloten cv) met een Nederlandse fondsbeheerder wordt als beleggingsvehikel gebruikt in een op te zetten fondsstructuur. De besloten cv kwalificeert als een alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel k van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (hierna: AIFM-richtlijn). De cv wordt door de staat waar de participanten zijn gevestigd als niet-transparant aangemerkt. De besloten cv is dientengevolge een omgekeerd hybride lichaam in de zin van artikel 2, twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969) tenzij aan de vereisten wordt voldaan van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969.
Vragen
- Dient artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 zodanig te worden uitgelegd dat een alternatieve beleggingsinstelling (hierna: abi) als bedoeld in de AIFM-richtlijn, ongeacht de gekozen beleggingsvorm en beleggingsstrategie, per definitie onder het bereik van deze bepaling valt?
- Als een abi voldoet aan de vereisten van een ‘een gediversifieerde portefeuille’ en ‘effecten’ uit de aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969, volgt dan uit het woord ‘beleggen’ in deze aanhef, in combinatie met de verwijzing in onderdeel b naar artikel 4, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), dat het begrip ‘beleggen’ een aanvullende toets is die dient te worden uitgelegd overeenkomstig het beleggingsbegrip in de zin van artikel 28 Wet Vpb 1969?
Antwoorden
- Nee, een alternatieve beleggingsinstelling zoals genoemd in artikel 2, dertiende lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969, dient tevens te voldoen aan de vereisten genoemd in de aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969.
- Nee, met de verwijzing naar artikel 4, vijfde lid, AWR wordt enkel beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van de AIFM-richtlijn. Voor de toepassing van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 hoeft geen afzonderlijke fiscale beleggingstoets te worden aangelegd.
Beschouwing
Wettelijk kader
Op grond van artikel 2, derde lid, Wet Vpb 1969 wordt een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, twaalfde lid, Wet Vpb 1969 aangemerkt als binnenlands belastingplichtig. De abi en de instelling voor collectieve belegging in effecten (hierna: icbe) zijn onder voorwaarden uitgezonderd van de belastingplicht voor omgekeerde hybride lichamen. Dit volgt uit artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969:
In de onderdelen a en b wordt voor de icbe en abi aangesloten bij de definitie die is opgenomen in respectievelijk het vierde en vijfde lid van artikel 4 AWR. In artikel 4, vijfde lid, AWR is een vestigingsplaatsfictie opgenomen voor abi’s. Artikel 4, vijfde lid, AWR luidt als volgt:
Artikel 4, vijfde lid, AWR sluit aan bij de terminologie die uit de AIFM-richtlijn volgt. Een abi is volgens artikel 4, eerste lid, onderdeel a, AIFM-richtlijn een instelling voor collectieve belegging die bij een reeks beleggers kapitaal ophaalt om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van deze beleggers te beleggen. Een EU-abi wordt volgens artikel 4, onderdeel k, AIFM-richtlijn gedefinieerd als:
Een EU-abi wordt op grond van de vestigingsplaatsfictie geacht te zijn gevestigd in de lidstaat van herkomst indien aan de aanvullende voorwaarden genoemd in de onderdelen a en b van artikel 4, vijfde lid, AWR wordt voldaan.
Parlementaire geschiedenis en richtlijnteksten
De uitzondering op de belastingplicht voor omgekeerd hybride lichamen van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 is niet per definitie van toepassing op een (EU-)abi in de zin van de AIFM-richtlijn. De aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 bevat twee aanvullende voorwaarden. De uitzondering is pas van toepassing indien de abi belegt in effecten én een gediversifieerde portefeuille aanhoudt. Aan deze voorwaarden in de aanhef dient afzonderlijke betekenis te worden toegekend. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van de Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking waarin over deze vereisten het volgende is aangegeven (Kamerstukken II 2019/20, 35241, nr. 7, p. 34):
In tegenstelling tot een icbe hoeft een abi niet te beleggen in effecten in de zin van in artikel 2, eerste lid, onderdeel n, van de UCITS-richtlijn (Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)). Artikel 2, eerste lid, onderdeel n, van de UCITS-richtlijn luidt als volgt:
In genoemd artikel vallen onder effecten uitsluitend financiële instrumenten. Een abi mag ook in andere activa beleggen. In de Veelgestelde vragen/Q&A AIFM-richtlijn worden hiervan een aantal voorbeelden gegeven (Veelgestelde vragen/Q&A AIFM-richtlijn van de Autoriteit Financiele Markten, p. 3):
Daarnaast is een abi volgens de AIFM-richtlijn niet verplicht een gediversifieerde portefeuille aan te houden (zie in dit verband de Veelgestelde vragen/Q&A AIFM-richtlijn, van de Autoriteit Financiële Markten, “Wat zijn de verschillen tussen een icbe en een alternatieve beleggingsinstelling (abi)?, p. 4”). Indien een abi dus niet voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969, valt zij niet onder de vrijstelling van het artikel.
Voor zover het gaat om de beleggingsvorm (effecten) en beleggingsstrategie (gediversifieerde portefeuille) van de abi stelt de aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 dus aanvullende voorwaarden. Uit het woord ‘beleggen’ in de aanhef van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 in combinatie met de verwijzing in onderdeel b naar artikel 4, vijfde lid, AWR volgt daarentegen niet dat een afzonderlijke fiscale beleggingstoets dient te worden aangelegd. De vestigingsplaatsfictie van artikel 4, vijfde lid, AWR beoogt een oplossing te bieden voor de dubbele fiscale vestigingsplaats die zou kunnen ontstaan als gevolg van de mogelijkheden die de AIFM-richtlijn de vermogensbeheerders van abi’s biedt. Indien de beheerder van een abi in Nederland is gevestigd terwijl die abi haar statutaire zetel in een andere lidstaat heeft, zou namelijk sprake kunnen zijn van een dubbele vestigingsplaats (Kamerstukken II 2011/12, 33235, nr. 3, p. 103).
De aanvullende voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, AWR − waaronder de eis dat de werkzaamheden van de EU-abi uitsluitend bestaan uit het beleggen in vermogen in de zin van artikel 28 Wet Vpb 1969 − zijn louter van toepassing op de vestigingsplaatsfictie. De verwijzing in artikel 2, dertiende lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 naar artikel 4, vijfde lid, AWR gaat niet zo ver dat slechts sprake is van een abi indien ook aan de nadere voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, AWR wordt voldaan. Met de verwijzing naar artikel 4, vijfde lid, AWR wordt enkel beoogd aan te sluiten bij definitie van een abi opgenomen in de AIFM-richtlijn. Dit blijkt uit de toelichting van de wetgever op de opgenomen verwijzing in artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 (Kamerstukken II 2018/19, 35241, nr. 3, p. 38-39):
Daarnaast volgt uit de parlementaire behandeling noch de wettekst dat voor de toepassing van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 een aparte fiscale beleggingstoets dient te worden aangelegd. De wetgever heeft in artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 in lijn met artikel 9bis, tweede lid, ATAD 2 voor collectieve beleggingsvehikels een uitzondering opgenomen op de belastingplicht voor omgekeerde hybride lichamen.
Artikel 9bis, ATAD 2 (Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybridemismatches met derde landen) luidt als volgt:
Ter implementatie van artikel 9bis, tweede lid, ATAD 2 heeft de wetgever de uitzondering op de belastingplicht voor omgekeerde hybride lichamen uitsluitend van toepassing verklaard op icbe’s en abi’s. Het is volgens de wetgever namelijk inherent aan de icbe en abi dat deze typen beleggingsinstellingen overeenkomstig de vereisten van artikel 9bis, tweede lid, ATAD2 een ruime verspreiding kennen en aan regelgeving ter bescherming van investeerders zijn onderworpen (zie de eerder aangehaalde passage uit Kamerstukken II 2018/19, 35241, nr. 3, p. 38-39). Volgens de wetgever wijkt de tekst van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 inhoudelijk ook niet af van de tekst van ATAD 2 (Beantwoording vragen Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, bijlage bij brief Staatssecretaris van Financiën van 28 oktober 2021 met beantwoording van vragen in een wetgevingsoverleg, Kamerstukken II 2021/22, 35931, nr. 32):
Door de vrijstelling van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 te beperken tot icbe’s en abi’s die eveneens voldoen aan de voorwaarden in de aanhef van genoemd artikel (met inachtneming van de in het hiervoor aangehaalde citaat opgenomen bevestiging), wordt aansluiting gezocht met het begrip ‘collectief beleggingsvehikel’ in de zin van ATAD2. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat voor de toepassing van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 een afzonderlijke fiscale beleggingstoets wordt beoogd. Om te bepalen of sprake is van een abi bevat de AIFM-richtlijn haar eigen ‘beleggingsvereisten’.
Conclusie
Uit de AIFM-richtlijn volgt dat een abi niet verplicht is te beleggen in effecten. Zij hoeft ook geen gediversifieerde portefeuille aan te houden. Daarmee voldoet een abi niet per definitie aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 2, dertiende lid, aanhef, Wet Vpb 1969. Aan deze vereisten komt echter wel betekenis toe. Een abi die niet voldoet aan deze vereisten valt niet onder de vrijstelling van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969.
De verwijzing in artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 naar artikel 4, vijfde lid, AWR strekt zich enkel uit tot de definitie van een abi in de zin van de AIFM-richtlijn. Het artikel betreft een implementatie van artikel 9bis, tweede lid, ATAD2 waarin voor collectieve beleggingsvehikels een uitzondering is opgenomen op de belastingplicht voor omgekeerde hybride lichamen. De wetgever heeft in lijn met ATAD2 de uitzondering beperkt tot icbe’s en abi’s. Inherent aan deze beleggingsinstellingen is dat zij moeten voldoen aan bepaalde ‘beleggingsvereisten’ overeenkomstig de richtlijnen waarin zij worden gedefinieerd. Voor de toepassing van artikel 2, dertiende lid, Wet Vpb 1969 dient geen afzonderlijke fiscale beleggingstoets te worden aangelegd.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat als de besloten cv een fonds voor gemene rekening is op grond van artikel 2, vierde lid, Wet Vpb 1969 er niet meer wordt toegekomen aan artikel 2, twaalfde en dertiende lid, Wet Vpb 1969.
Metadata
Inkomstenbelasting