Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Fred van Horzen en Paul de Haan hebben eerder al in NLF Opinie 2018/0044 en 0045 aangegeven dat het spel van het kabinet rond de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting zwak is. Fred en Paul vatten nog eens samen wat er vóór afschaffing pleit.

‘De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!’1

Vrijdag 7 september was een opzienbarende dag. We hebben het dan niet over de kwestie rond de uitzetting van Lili en Howick, de Armeense kinderen die op last van rechterlijke uitspraken het land moesten worden uitgezet, maar vervolgens op last van de wegens bedreigingen inmiddels ondergedoken staatssecretaris Harbers toch mochten blijven. We hebben het over de dividendbelasting, het hoofdpijndossier van Rutte III. De dividendbelasting lijkt steeds meer op de paddenwratjes uit de recente roman van Rijneveld: als je ze kapot knijpt, ‘komt er een zurig goedje uit’.2 Aan zuur geen gebrek op dit dossier.

De vaandelvlucht van AmCham

Het begon rond het middaguur met een opmerkelijk persbericht van de American Chamber of Commerce in the Netherlands (AmCham). AmCham trok haar steun in aan het voorstel om de dividendbelasting af te schaffen. AmCham merkte op dat men aanvankelijk (lees: november 2017) begrip had voor het plan om de dividendbelasting af te schaffen. Het woord ‘begrip’ is enigszins een vertekening van de werkelijkheid. AmCham heeft zich al meer dan tien jaar helemaal suf gelobbyd om de dividendbelasting afgeschaft te krijgen. Die belasting was ieder Amerikaans bedrijf een doorn in het oog, zeker na de introductie van uitvoerige antimisbruikbepalingen in 1992 in het Verdrag Nederland-VS. Als motivering voor de plotselinge vaandelvlucht voert AmCham aan dat men liever het tarief vennootschapsbelasting naar 21% verlaagd ziet worden in plaats van naar 22%. AmCham zegt het te betreuren dat ten gunste van een beperkt aantal Nederlandse multinationals (‘met Britse aandeelhouders’) de lasten voor andere bedrijven worden verzwaard. Met de term ‘andere bedrijven’ heeft AmCham ongetwijfeld voornamelijk het oog op bedrijven die in Amerikaanse handen zijn, bedrijven die overigens in het kader van het vestigingsklimaatbeleid over het algemeen niet onwelwillend zijn bejegend. In plaats van te kiezen voor solidariteit met de betreffende Nederlandse multinationals kiest AmCham nu om vijf voor twaalf voor ‘America First’. De plotsklaps opgebloeide liefde van AmCham voor de dividendbelasting zou zomaar aanleiding kunnen vormen voor staatssecretaris Snel om via een ‘executive order’ onmiddellijk met een rode pen een dikke vette streep te zetten door het besluit uit 2005 waarmee destijds, mede op instigatie van AmCham, door de toenmalige staatssecretaris Joop Wijn de antihybridebepaling (artikel 24, lid 4) uit het Verdrag Nederland-VS voor toepassing van de Nederlandse dividendbelasting buiten werking is gesteld. Feit is dat de vestigingsklimaatcoalitie volstrekt is verzuurd: nadat de NOB zich al niet volmondig uitsprak vóór de in het regeerakkoord neergelegde afschaffing van de dividendbelasting, is nu AmCham als kikkertje uit de kruiwagen gevallen. De coalitie van AmCham met het Nederlandse bedrijfsleven was altijd al een ietwat moeizame coalitie, omdat bepaalde Nederlandse grootbedrijven niet bekend staan om hun bescheiden en nederige instelling binnen de werkgeversgremia.

Gewobde dossiers Samenzweringstheorieën

In de loop van vrijdagavond 7 september werden naar aanleiding van een WOB-verzoek vele honderden pagina’s vrijgegeven uit documenten die onder andere betrekking hadden op de dividendbelasting. Wat opviel was dat veel pagina’s geheel of nagenoeg geheel blanco waren gemaakt. De vrijgegeven documenten lijken wat dat betreft op documenten over de moordaanslag in 1963 op John F. Kennedy die in het kader van de Amerikaanse Freedom of Information Act (‘FOIA’) regelmatig worden vrijgegeven. Terzijde merken wij op dat Nederland bij die moordaanslag ook een belangrijke rol speelde. De vermoedelijke moordenaar, Lee Harvey Oswald, keerde in juni 1962 terug uit de Sovjet Unie waarnaar hij in 1959 was overgelopen. Hij had vanuit Moskou de trein genomen naar Nederland. Hij vertrok per schip (de Maasdam van de Holland America Line) vanuit Rotterdam naar Amerika. Vóór zijn afvaart bezocht hij in Rotterdam aan de Meent het kantoor van een Amerikaans bedrijf dat wellicht toen al lid was maar blijkens de Member Directory in ieder geval thans (nog) lid is van de in 1961 opgerichte AmCham. Volgens sommige samenzweringstheorieën is Oswald in dat kantoor door agenten van de CIA ‘gedebrieft’. Wellicht kan Renske Leijten eens vragen in hoeverre de CIA nog steeds actief is in Nederland onder de dekmantel van leden van AmCham. Net als de ‘Kennedy-files’ vormden de WOB-documenten aanleiding voor de pers om los te gaan over samenzweringstheorieën waarin Rutte, de VVD, Shell en Unilever de hoofdrol spelen.3 De inhoud van de gepubliceerde documenten is inderdaad belangrijk, maar niet op de manier zoals die door de mainstreammedia wordt geïnterpreteerd.

Joop Wijn

Het beginpunt voor de discussie over de afschaffing van de dividendbelasting ligt bij de voormalige staatssecretaris van Financiën Joop Wijn, lid van het CDA. In de aanloop naar de Wet werken aan winst gaf hij in 2005 en 2006 in het parlement een aantal malen aan op termijn geen toekomst te zien voor de dividendbelasting. In december 2005 merkte hij in de Eerste Kamer op dat hij ‘op termijn de dividendbelasting niet ziet overleven’. De ‘bron van alle kwaad’ is dus niet de VVD die buiten een ieders zicht in achterkamertjes met diverse partijen samen zit te spannen, maar een bewindsman van het CDA die in alle parlementaire openbaarheid het einde op termijn van de dividendbelasting aankondigt. Dat beursgenoteerde ondernemingen als Unilever, Shell, AkzoNobel en Philips naar aanleiding van deze uitlatingen van Wijn vanaf dat moment de afschaffing van de dividendbelasting op de agenda zetten bij periodiek overleg met het ministerie van Financiën is volslagen begrijpelijk en heeft ook niets met enigerlei vorm van achterkamertjespolitiek te maken. Pieter Klein van RTL Nieuws weet echter op 10 september jl. in een column een samenzweerderige draai te geven aan de uitlatingen van Wijn (‘De belegeringsziekte van Mark Rutte’). In 2004 zou premier Balkenende aan Shell hebben toegezegd dat de dividendbelasting zou worden afgeschaft. Dat zou op verzet zijn gestuit van minister van Financiën Zalm. Om Shell toch tegemoet te komen, zou Wijn de afspraak met Shell over de B-aandelen hebben gemaakt en vervolgens ertoe zijn overgegaan om openlijk de (geleidelijke) afschaffing van de dividendbelasting te bepleiten. Klein merkt nog wel op niet te weten of het verhaal over Balkenende waar is. Het is gebaseerd ‘op een reeks bronnen’. Ook raadt hij af om verder kennis te nemen van de op 7 september vrijgegeven documenten. Dat laatste is echter een slechte raadgeving, al was het alleen maar omdat in die documenten de samenzweringstheorie rond de rol van Rutte wordt ontkracht. Van groot belang zijn de ontwikkelingen in 2007 toen het ministerie van Financiën werd bestuurd door minister Wouter Bos (PvdA) en Jan Kees de Jager (CDA). Voordat de kredietcrisis najaar 2008 losbrandde, was er bij beursgenoteerde bedrijven de behoefte om in het kader van een actief kapitaalbeleid aandelen in te kopen. Het probleem waar men tegen aan liep was de verschuldigdheid van dividendbelasting. Er bestond weliswaar sinds de belastingherziening 2001 een wettelijke mogelijkheid voor beursgenoteerde vennootschappen om aandelen zonder heffing van dividendbelasting in te kopen (artikel 4c Wet DB 1965), maar in de praktijk kon niet altijd worden voldaan aan de stringente voorwaarden van die bepaling. De dividendbelasting werkte belemmerend, onder andere omdat als de aandeelhouder niet bekend is (wat bij beursnotering doorgaans het geval zal zijn), de inkopende vennootschap de dividendbelasting dient te bruteren. Dit heeft een negatieve impact op de ‘cost of capital’. Het bedrijfsleven zocht naar alternatieven om toch tot belastingvrije inkoop over te gaan, bijvoorbeeld door de inkoop plaats te laten vinden via een bekende intermediair die een belang van 5% of meer in de beursvennootschap had. Dit soort structuren werd echter actief bestreden door het ministerie respectievelijk de Belastingdienst. Pas in mei 2007 is bij besluit de mogelijkheid geïntroduceerd om bij inkoop brutering achterwege te laten door een zogenoemde ‘second trading line’ te openen en de inkoop via dat loket plaats te laten vinden. In de WOB-documenten bevindt zich een ‘briefing note’ ten behoeve van een bespreking tussen Philips en Bos en De Jager in de zomer van 2007. In dit document wordt de beperkte reikwijdte van artikel 4c Wet DB 1965 aan de orde gesteld en wordt erop gewezen dat een ruimere mogelijkheid om belastingvrij in te kopen Nederlandse beursvennootschappen kon helpen in de strijd tegen actieve private-equitypartijen. Verruiming van de inkoopfaciliteit voor beursgenoteerde bedrijven blijft gedurende de rest van 2007 de agenda’s beheersen, zo blijkt uit de documenten. Bos en De Jager zouden zich kunnen vinden in afschaffing van de dividendbelasting, mits de budgettaire derving zou worden vergoed door het ‘grote’ bedrijfsleven dat van de afschaffing zou profiteren, eventueel in combinatie met antimisbruikbepalingen. In ieder geval wordt met ingang van 2008 de inkoopfaciliteit enigszins versoepeld. Het voornemen van Rutte III is in feite gewoon het beetpakken en afmaken van het idee dat Bos en De Jager eind 2007 al in hoofdlijnen hadden geventileerd jegens het bedrijfsleven, maar dat was blijven liggen, wellicht als gevolg van de kredietcrisis. Het beeld rond de dividendbelasting is sinds 2001 er altijd een geweest van ‘minder, minder’.4 In die lijn past ook de verlaging van het tarief van 25% naar 15% met ingang van 2007 en de verruiming van de deelnemingsfaciliteit in de dividendbelasting tot alle verdragssituaties met ingang van 2018. Een sinister complot met Rutte in de hoofdrol kunnen wij hierin niet ontdekken. Ook het CDA en de PvdA stonden in het verleden positief tegenover de afschaffing van de dividendbelasting, onder dezelfde randvoorwaarden die onderdeel uitmaken van het huidige kabinetsvoornemen. Ons belangrijkste punt van kritiek is dat dit soort informatie ter onderbouwing van het huidige voornemen gewoon uitgeschreven had moeten worden, ter vermijding van het gestuntel van de verantwoordelijke bewindslieden waar we nu al bijna een jaar mee geconfronteerd worden. De bijna dwangmatige procesbenadering werkt niet altijd; soms moet men gewoon inhoudelijk aan de bak.

De belastingcommissie van de VVD

In de WOB-stukken komt een aantal documenten voor van de belastingcommissie van de VVD, maar ook dat zijn stukken waarin, waarschijnlijk met de opmerkingen van CDA’ers Wijn en De Jager en PvdA’er Bos in het achterhoofd, wordt gefilosofeerd over mogelijke ontwikkelingsrichtingen rond de dividendbelasting (integraal afschaffen, afschaffen slechts in verdragssituaties, handhaving in misbruiksituaties, enz.). Kortom, wat ons betreft geen stukken waarvan wij in kennelijke staat van opwinding raken; van een geheimzinnige lobby is geen sprake.

Ook een lobby vóór handhaving van de dividendbelasting

Uit de stukken blijkt dat er ook wordt gelobbyd vóór handhaving van de dividendbelasting. Zo hebben OxfamNovib en TaxJustice Nederland overlegd met het ministerie van Financiën en handhaving van de dividendbelasting bepleit. Kortom, ook naar tegenstanders van afschaffing wordt (terecht) geluisterd.

De dubieuze rol van sommige economen

Bijzonder interessant is een document van 9 november 2017, kennelijk afkomstig van het ministerie van Economische Zaken. In dat document wordt onder andere gerefereerd aan kritiek vanuit de hoek van academische economen die kritiek hadden op de afschaffing van de dividendbelasting zoals vastgelegd in het regeerakkoord. Onder verwijzing naar met name Amerikaanse studies hadden zij opgemerkt dat de verlaging of afschaffing van de dividendbelasting geen positieve invloed had op de economie. In het document van 9 november 2017 wordt uitgelegd dat die studies volslagen irrelevant zijn voor de afschaffing van de Nederlandse dividendbelasting. De betreffende studies gaan over verlaging van de heffing van inkomstenbelasting bij de aandeelhouders, niet over de effecten van het afschaffen of verlagen van bronbelasting op dividenden. Anders gezegd, de economen die de publiciteit zoeken en/of krijgen, weten eigenlijk niet waar ze het over hebben. Vorige week is daar in NLF Opinie 2018/0044 en 0045 ook al op gewezen.5 Ook Barbara Baarsma beroept zich in haar op 6 september 2018 op RaboResearch verschenen artikel ‘De normale gewone Nederlander’ derhalve op het verkeerde soort studies ter onderbouwing van haar standpunt dat de dividendbelasting gehandhaafd moet worden. Ook ziet zij over het hoofd dat Nederland met ingang van 1 januari 2018 in verdragssituaties de dividendbelasting heeft afgeschaft in deelnemingsverhoudingen. Ook haar stelling dat de afschaffing van de dividendbelasting ‘de gewone man’ geld kost, is onjuist. Het plan is op zijn minst budgetneutraal; het prijskaartje van de afschaffing wordt integraal bij het bedrijfsleven neergelegd. Dat is nu juist de reden voor de plotselinge vaandelvlucht van AmCham. Waar zij en haar collega-economen nu wel wat over zouden moeten kunnen zeggen, daar blijft het stil. Wat levert een hoofdvestiging van een bedrijf nu eigenlijk – direct en met name indirect – op voor een land? Terug naar de WOB-documenten. In het document van 9 november 2017 wordt ook nog eens uiteengezet welke positieve effecten de afschaffing van de dividendbelasting kan hebben:

  • de dividendbelasting vormt een negatief element voor de vestigingsplaatslocatie;
  • de Europese Commissie heeft diverse malen aangegeven dat de dividendbelasting voor portfolio investeerders verstorend kan werken voor de interne markt;
  • het Deense consultantsbureau Copenhagen Economics heeft berekend dat door afschaffing van de dividendbelasting de ‘cost of capital’ lager wordt, net als de compliance kosten voor bedrijven en overheid;
  • voorts wordt met instemming verwezen naar de studie van Lorié en Hofland in WFR 2010/715.6

In een e-mail van een onbekende afzender gericht aan Rutte, Hoekstra, Snel, Buma en Omtzigt wordt met instemming gewezen op het FD-artikel van 17 november 2017 van Karel Lannoo, directeur van de Brusselse denktank CEPS waarin deze de economische argumenten noemt die vóór afschaffing van de dividendbelasting pleiten (‘Afschaffing van dividendbelasting stimuleert kapitaalfinanciering’). Samen met het op 7 september 2018 in de Volkskrant verschenen stuk van de bedrijfseconoom en ervaringsdeskundige Guido van de Brink (‘Jaag de multinationals niet weg uit Nederland’) zou het kabinet toch in staat moeten zijn om een coherent en overtuigend en met name economisch gefundeerd betoog te houden ter onderbouwing van de afschaffing van de dividendbelasting. Men zou ook kunnen putten uit de bijdrage van de UvA-economen Beetsma en Lorié in WFR 2018/164.7

Afrondend

We hebben eerder in NLF Opinie 2018/0044 en 0045 aangegeven dat het spel van het kabinet rond de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting zwak is. We vatten nog eens samen wat er vóór afschaffing pleit:

  • de dividendbelasting heeft geen (duidelijke) rechtsgrond;
  • binnen de digitale economie kunnen bronbelastingen van belang zijn, maar dat geldt niet voor de dividendbelasting: tech-bedrijven weten hun winst buiten hun thuisbasis zeer beperkt te houden. Hun spaarpot van ongeveer $2.500 miljard is buitengaats in tax havens gestald; in ieder geval niet in Nederland;
  • het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel om uitsluitend dividendbelasting te heffen in grensoverschrijdende situaties;
  • handhaving van de dividendbelasting levert niet gegarandeerd €2 miljard per jaar op want bijvoorbeeld een zeker niet denkbeeldige (want in het verleden vaker voorgekomen) buitenlandse overname van een Nederlandse multinational leidt tot verlies van het Nederlandse heffingsrecht indien de aandelen in handen komen van een vennootschap die in een verdragsland is gevestigd;
  • de uitkomst van lopende procedures over de houdbaarheid van de heffing in grensoverschrijdende situaties kan tot inperking van het Nederlandse heffingsrecht leiden;
  • er zijn overtuigende (bedrijfs)economische argumenten die vóór afschaffing pleiten;
  • Jeremy Corbyn is tegen afschaffing.

Maar met Dijsselbloem kunnen we zeggen:

‘Het geheugen is kort en het vlees is zwak.’8

Wij zijn benieuwd wat er op Prinsjesdag gaat gebeuren. Wordt het the Netherlands dan wel America first?

Tot slot hebben wij nog een suggestie in het kader van de internetconsultatie over rulings: zouden we in rulings in het vervolg geen solidariteitsbepaling of inburgeringsplicht voor internationale bedrijven kunnen opnemen?

Rubriek(en)
Dividendbelasting
Auteur(s)
Paul de Haan
De Haan advies
Fred van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF Opinie 2018/46
Judoreg
NFB2200
Publicatiedatum
20 september 2018

X