Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

X (belanghebbende) is samen met zijn zus medegerechtigde geworden tot enige onroerende zaken als gevolg van het overlijden van hun vader. Hij heeft op grond van artikel 28 Wet WOZ verzocht om een medebelanghebbendebeschikking voor elk van de onroerende zaken voor 2019 en 2020.

Naar het oordeel van Hof Den Haag heeft de Heffingsambtenaar dat verzoek terecht afgewezen omdat reeds reguliere WOZ-beschikkingen ten name van de erven zijn genomen. X heeft de mogelijkheid gehad om tezamen met zijn zus rechtsmiddelen aan te wenden tegen die WOZ-beschikkingen.

X heeft cassatieberoep ingesteld en volgens A-G Pauwels is dat gegrond.

Gerechtshoven oordelen verschillend over de kwestie of een erfgenaam aanspraak kan maken op een medebelanghebbendebeschikking in een geval als dit. Het verschil is gelegen in een andere opvatting over het antwoord op de vraag of een WOZ-beschikking op naam van de erven geldt als te zijn ‘toegezonden’ in de betekenis van artikel 28, lid 1, Wet WOZ aan de erfgenaam. De A-G meent dat het Hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien de reguliere WOZ-beschikkingen op naam zijn gesteld van de erven, kunnen ze – gelet op de tekst van artikel 28 Wet WOZ – als uitgangspunt niet gelden als te zijn toegezonden aan X. Dit wordt niet anders doordat hij samen met de zus in bezwaar en beroep kan tegen die beschikkingen.

Metadata

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2019-2020
Instantie
A-G
Datum instantie
31 mei 2024
Rolnummer
23/02741
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:585
NLF-nummer
NLF NLF
bwbr0007119&artikel=28

Naar de bovenkant van de pagina