Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Fred van Horzen over de dubbele petten in de fiscale wetenschap.

De oratie van Jan Vleggeert heeft voor veel ophef gezorgd. Dat valt toe te juichen. Zoals de voormalige Amerikaanse president (en oud-belastingadviseur) Richard Nixon ooit opmerkte:

‘(…) the main thing is there’s nothing better than a little confrontation now and then, a little excitement.’1

Dat neemt niet weg dat een aantal kanttekeningen kan worden geplaatst bij de inhoud van het betoog van Vleggeert. Wat is bijvoorbeeld zijn definitie van onafhankelijkheid? Een aardige definitie is te vinden bij Nietzsche:

‘Onafhankelijkheid (in haar zwakste dosis “vrijheid van gedachten” genaamd) is de vorm van verzaking die de heerszuchtige tenslotte aanneemt, – hij die lange tijd heeft gezocht naar wat hij kon beheersen en niets gevonden heeft dan zichzelf.’2

Hoe heeft de zoektocht van Vleggeert naar onafhankelijkheid er precies uitgezien? Welke publicaties en annotaties van collega-hoogleraren die tevens werkzaam zijn in de adviespraktijk heeft hij geanalyseerd en aan de hand van welke criteria? Hopelijk biedt de ongetwijfeld nog komende publicatie van zijn oratie duidelijkheid over deze vragen. Misschien wordt dan ook ingegaan op de fundamentele vraag of fiscaal recht eigenlijk wel een wetenschap is. Nietzsche heeft ooit opgeschreven:

‘Iedere wetenschap die zichzelf praktische betekenis toekent, is nog geen wetenschap, economie bijvoorbeeld.’3

Dat bij de academische opleidingen fiscale economie en fiscaal recht de praktische betekenis van hetgeen wordt onderwezen vooropstaat, hoeft denk ik geen betoog. Op het doel van een academische fiscale opleiding kan ook een Nietzscheaanse observatie worden geplakt:

‘In het ene geval wordt tot het ambtenarendom, in het andere tot het verdienen van geld opgevoed.’

Het grappige is dat Nietzsche juist degenen die tot het verdienen van geld worden opgevoed als ‘onafhankelijk’ kwalificeert, onafhankelijk namelijk van de staat.4 Wanneer we dat afzetten tegen de titel en de strekking van het betoog van Folkert Jensma in het NRC5 dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat de Nederlandse fiscale wetenschap in hoge mate onafhankelijk is in Nietzscheaanse zin. Het moge duidelijk zijn dat het begrip onafhankelijkheid meerdere definities en invalshoeken kent, wat in het huidige debat niet altijd wordt onderkend.

Bart Snels wil alleen onafhankelijke stemmen horen

Het door Vleggeert aangekaarte thema is op 2 november jl. vliegensvlug overgenomen door Bart Snels. In een Kamerdebat plaatste hij kanttekeningen bij de aanwezigheid in adviescommissies van hoogleraren belastingrecht met dubbele pet. Nietzsche heeft aangegeven dat het begrip onafhankelijkheid ook een democratische dimensie heeft:

‘De democratie wil zoveel mogelijk mensen onafhankelijkheid verlenen en waarborgen, onafhankelijkheid van meningen, levenswijze en kostwinning. Daartoe moet zij zowel de bezitlozen als de echte rijken het politiek stemrecht ontzeggen; de twee ongeoorloofde mensenklassen, aan de eliminatie waarvan zij gestadig moet werken, omdat zij haar taak steeds weer ter discussie stellen.’6

Het streven van GroenLinks is om de kloof tussen arm en rijk te elimineren, althans om die kloof te verminderen zodanig dat er geen bezitlozen meer zullen zijn en de rijken minder rijk. Snels opereert derhalve in de schaduw van Nietzsche. Snels wil uiteraard niet het politieke stemrecht ontzeggen aan armen en rijken. Zijn reactie leek echter wel onmiddellijk invloed te hebben op de aanwezigheid in fiscale adviescommissies van de stem van hoogleraren met een dubbele pet. Staatssecretaris Vijlbrief deed namelijk spontaan de toezegging er zorg voor te dragen dat in de Commissie doorstroomvennootschappen, de opvolger van de Commissie-Ter Haar, geen hoogleraren belastingrecht zitting zullen hebben die ook partner bij een advieskantoor zijn. Een week later kwam de staatssecretaris, die zelf in 2010 korte tijd deel heeft uitgemaakt van de Studiecommissie Belastingstelsel, echter weer terug op deze koude uitsluiting. Hij gaf aan dat sprake is van ingewikkelde materie en dat hij wat tijd wil nemen om na te denken over hoe je het beste met deze vraag kunt omgaan. Het zou volgens hem begin 2021 wellicht geadresseerd kunnen worden in de nog komende tax governance code.

Kick Out Dubbele Pet?

Op 10 november ging Snels nogmaals in op de positie van hoogleraren belastingrecht. Volgens Snels is het relevant om te weten wat mensen uit de praktijk vinden van fiscale wetgeving. Maar als die mensen, in de woorden van Snels ‘lobbyisten’, zich ook nog tooien met de pet van hoogleraar, wordt dat volgens hem wel lastig. Dan is volgens Snels niet meer te zien of er bij discussies over fiscale politiek gesproken wordt vanuit een onafhankelijke, wetenschappelijke achtergrond of dat er belangen van een advieskantoor of de klanten van het advieskantoor achter zitten. Als wordt gekeken naar de samenstelling van fiscale studiecommissies van de afgelopen tien jaar, dan kan mijns inziens niet worden gezegd dat daarin sprake was van een oververtegenwoordiging van hoogleraren belastingrecht met een dubbele pet. In de reeds genoemde Studiecommissie Belastingstelsel betrof het uitsluitend Van Weeghel. In de Commissie inkomstenbelasting en toeslagen zaten welgeteld twee personen die zowel aan een universiteit als aan een advieskantoor waren verbonden (Kavelaars en Gubbels) en een oud-lid van de Raad van State die in een ver verleden aan een advieskantoor verbonden is geweest (Bartel). En in de Commissie-Ter Haar zaten ook slechts twee personen die zowel aan een universiteit als aan een belastingadvieskantoor zijn verbonden (De Wilde en Bellingwout). Al deze academici met dubbele petten vormden in de commissies een minderheid in vergelijking met deskundigen die niet aan een advieskantoor zijn of waren verbonden. Dus mij is niet duidelijk waarom Snels meent dat sprake is van een probleem. De eindrapporten van die commissies vertonen mijns inziens ook geen sporen van intensief en disruptief lobbywerk van een vijfde colonne van fiscalisten getooid met een dubbele pet. Als Snels vindt dat de commissies niet ver genoeg gaan met hun voorstellen of wanneer hij vermoedt dat sprake is geweest van gelobby, wat belet hem dan om dat beargumenteerd aan de kaak te stellen en om te proberen een meerderheid in het parlement te krijgen voor zijn eigen visie op de bestudeerde onderwerpen?

Over lobbymachines

Ook de NOB kreeg van Snels een veeg uit de pan. De NOB is volgens Snels ‘een lobbymachine, waar belangen achter zitten’. De suggestie van Snels dat een adviseur per definitie een lobbyist is, is onjuist. Als bijvoorbeeld wordt gekeken naar de commentaren van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB, dan is duidelijk dat die commentaren erop zijn gericht om de kwaliteit van wetgeving te toetsen en waar nodig suggesties ter verbetering van die kwaliteit te doen. Er zijn ook adviseurs, soms getooid met dubbele pet, die in wetenschappelijke artikelen wijzen op gebreken in voorgestelde wetgeving en daarmee aanpassingen van die wetgeving veroorzaken ten nadele van belastingplichtigen.7 Als Snels niet wil luisteren naar en geen dialoog wil hebben met deskundigen uit de praktijk die opkomen voor de belangen van belastingplichtigen, juist degenen die gebaat zijn bij heldere fiscale wetgeving, dan vind ik dat zorgelijk. Je zou dit kunnen construeren als fiscaal feodaal gedrag, zo treffend beschreven door Peter Sloterdijk, gedrag dat het onderlinge vertrouwen tussen overheid en belastingplichtigen schaadt en dat ook ten grondslag heeft gelegen aan de Toeslagenaffaire.

Over het verschraalde fiscale debat

Vleggeert refereerde in zijn oratie ook aan het verschraalde fiscale debat. Bijna 150 jaar geleden constateerde Nietzsche dat de wetenschapper in een toestand van gehaastheid terecht was gekomen, alsof de wetenschap een fabriek was en er een straf stond op elke verspilde minuut. De wetenschapper was volgens hem verworden tot een afgematte arbeider, een slaaf die ook in zijn slaap zijn juk nog niet afwerpt. Volgens Nietzsche kon een uitweg uit deze situatie worden gevonden door het wetenschappelijk leven te vermengen met de bijpassende tegendosis aan solide ervaring, filosofie en kunst.8 Als gevolg van de toename van het aantal dubbele petten zit het wel snor met de tegendosis aan solide ervaring in de fiscale wetenschap. Filosofie heeft inmiddels ook redelijk vaste voet gekregen in de fiscale discussie, denk bijvoorbeeld aan de reeds genoemde Sloterdijk. Om te bewijzen dat het met de kunst in de fiscale wetenschap ook geramd zit, hoeft slechts te worden gewezen op het werk van de winnaars van de Jaap van den Berge-Literatuurprijs: Pieterse, Peters en Gunn. Ten opzichte van een jaar of tien geleden is naar mijn mening het fiscale debat juist verrijkt in plaats van verschraald. Ook de insteek van adviesorganisaties is snel aan het veranderen in de slipstream van de maatschappelijke discussies over belastingheffing. Tax policy, tax transparency, tax principles en tax governance zijn zaken waar in ieder geval de grote(re) advieskantoren zich mee bezighouden en over communiceren. Zij verlenen ook direct en indirect bijstand aan organisaties die bijvoorbeeld ontwikkelingslanden helpen om hun belastingdiensten naar een hoger niveau te tillen. Dat neemt niet weg dat er nog voldoende ruimte is voor verdere verbetering van het debat. Bijvoorbeeld door in de fiscale vakliteratuur ook aandacht te besteden aan publicaties van niet-fiscalisten over onderwerpen die raakvlakken hebben met de fiscaliteit.9 Er is nog zoveel meer interessants en relevants te ontdekken voor fiscalisten naast de dagelijkse taaie kost van bijvoorbeeld de Spoedwet reparatie fiscale eenheid. Ik ben het eens dat het tijd is voor nieuwe geluiden in de Nederlandse fiscale wereld, in plaats van de bekende grijs gedraaide nummers van dezelfde artiesten, de fiscale variant van de Top 2000 die we inmiddels wel kunnen dromen. Maar het zou jammer zijn als de door Vleggeert aangezwengelde discussie niet voorbij de karikatuur van de dubbele petten komt.

Wie komt op voor ‘Jan met de Pet’?

Bij al het geklets over vermeende lobbymachines, bediend door academici met dubbele petten, zoals de NOB en andere groeperingen zoals VNO-NCW, AmCham en het Register Belastingadviseurs, mag niet uit het oog worden verloren dat die organisaties doorgaans opkomen voor de belangen van slechts een relatief klein gedeelte van alle belastingplichtigen. Met name de Toeslagenaffaire heeft inzichtelijk gemaakt dat een groot deel van de belastingplichtigen en hun problemen zich buiten het blikveld bevindt van de fiscale adviespraktijk en dat die belastingplichtigen overgeleverd zijn aan de grillen van de fiscus. Ook de belastingplichtigen die zich niet kunnen laten bijstaan door een adviseur hebben er recht op dat zij worden gehoord en dat op professionele wijze wordt opgekomen voor hun belangen. De vraag is alleen wie die handschoen op wil pakken. Nietzsche heeft erop gewezen dat grootheden als Napoleon en Beethoven toen zij oud waren geworden, vervielen in de nationalistische bekrompenheid van vaderlandslievende lieden, ‘patriotten’.10 Ik sluit niet uit dat menig oud-partner van een advieskantoor zichzelf stiekem als de evenknie van Napoleon beschouwt. Zou het niet een idee zijn om een beroep te doen op het patriottisch gevoel van gepensioneerde partners van advieskantoren en om hun krachten, kennis en kunde te bundelen, bijvoorbeeld in een ‘Stichting Jan met de Pet’? Zij zouden dan een landelijk netwerk kunnen vormen en belangeloos, al dan niet via de tussenkomst van rechtswinkels of vakbonden, hulp en bijstand kunnen verlenen aan belastingplichtigen die zich niet de diensten van een belastingadviseur kunnen veroorloven. De oud-partners zijn creatief met wettelijke bepalingen, weten hoe om te gaan met de Belastingdienst en weten als geen ander de weg in die organisatie. Op deze wijze zouden zij op hun oude dag maatschappelijk nuttig en verantwoord werk kunnen verrichten, ten behoeve van de maatschappij ‘at large’. En wie weet, misschien zouden ze ook gevraagd en ongevraagd hulp en bijstand kunnen verlenen aan parlementariërs bij het beoordelen van fiscale wetsvoorstellen en zelfs zitting kunnen nemen in fiscale studiecommissies.

Ik sluit deze opinie dan ook af met een oproep aan alle oud-partners van advieskantoren: wie voelt zich geroepen om zich aan te sluiten bij Jan met de Pet? Die pet past jullie allemaal!

Rubriek(en)
Overig
Auteur(s)
Fred van Horzen
Meijburg & Co
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/36
Judoreg
NFB3830
Publicatiedatum
20 november 2020

X