Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Op 29 mei 2019 vond in de Tweede Kamer het rondetafelgesprek plaats over de belastingafdracht door multinationals. Deelnemers aan dit gesprek waren Paul Sleurink (De Brauw Blackstone Westbroek), Jan van de Streek (UvA), Jeroen Lammers (VNO-NCW/MKB Nederland), Arnold Merkies (Tax Justice NL), Raymond de la Court (AkzoNobel), Hans de Jong (Philips) en Alan McLean (Shell).


Naar aanleiding van dit rondetafelgesprek kopte het redactionele commentaar van het FD dat het vertroetelen van multinationals best een onsje minder kan. Hans van den Hurk vraagt zich in deze opinie sowieso af of er nog van vertroetelen sprake kan zijn als we kijken naar hoe de nieuwe volkssport ‘multinational bashen’ zich ontwikkelt. En om nu te voorkomen dat hij het stempel opgeplakt krijgt aan de leiband van de multinational te lopen, beperkt hij zich tot het slechts inhoudelijk reageren op wat er geschreven is.

Allereerst de deelnemingsvrijstelling. Wat was ooit de achtergrond? Als een dochtervennootschap onderworpen was aan een belasting zoals de vennootschapsbelasting, dan zou die winst na uitdeling aan de Nederlandse houdster niet nog een keer in Nederland belast worden. De achtergrond hiervan is dat de meeste bedrijven ingewikkelde structuren hebben bijvoorbeeld om juridisch de verschillende activiteiten te kunnen scheiden en de leidinggevenden ook concreet te kunnen afrekenen op hun prestaties. En soms is zo’n bedrijf verplicht om snel te handelen en richt het daarom een lokale vennootschap op. En natuurlijk zijn er landen genoeg waar je sowieso een vennootschap dient te hebben, wil je daar actief zijn. Stel je voor dat de deelnemingsvrijstelling niet zou bestaan, dan zou dezelfde winst nogmaals belast worden en dat is juist wat we willen voorkomen. Waarom? Omdat het fiscale systeem rechtvaardig dient te zijn maar ook geen economisch verstorend karakter dient te hebben voor bedrijven die om hun moverende redenen nu eenmaal veel dochtervennootschappen hebben.

Waar loopt het dan toch mis? Een aantal jaren geleden heeft Nederland de deelnemingsvrijstelling zo gewijzigd dat die van toepassing wordt op iedere dochtervennootschap met actieve werkzaamheden. Hiermee wordt bedoeld dat als een buitenlandse vennootschap onderneemt en niet belegt, dat dan de deelnemingsvrijstelling altijd van toepassing is. Ook als de vennootschapsbelasting daar 0% is. Dat bevalt de redactie van het FD niet. Een citaat:

‘De onbalans is ogenschijnlijk, omdat Nederland ook winstbelasting kan heffen van zijn bedrijven als dit in het buitenland achterwege blijft. In de praktijk gebeurt dat echter niet.’

Dit is volstrekt correct en zo zien politici dat ook. Maar er is ook een keerzijde. Als een bedrijf als Bavaria of Heineken bier verkoopt in Bermuda, dan is die winst aldaar onbelast. Waarom? Omdat Bermuda sowieso geen vennootschapsbelasting heft. Veronderstel dat Nederland dan zou gaan bijheffen? Dan betekent dit dat de marge van de Nederlandse brouwers door Nederlandse heffing verkleind wordt en dat dus de concurrentiepositie van de Nederlandse bedrijven daardoor verzwakt. Een Bermudaanse brouwer heeft die heffing niet en kan dus op prijs concurreren. Het is onder meer om deze reden dat Nederland een veto heeft uitgesproken bij de eerste Anti-Tax Avoidance Directive (ATAD1) waarin een switch-overclausule stond zoals het FD die graag ziet. Ook in de Europese vennootschapsbelasting (CCCTB) staat zo’n bepaling. Het lijkt allemaal zo logisch, maar Nederlandse bedrijven acteren wereldwijd en dan wringt het wanneer ze in landen met een relatieve lage vennootschapsbelasting actief zijn en dan ook nog eens additionele Nederlandse vennootschapsbelasting dienen te betalen. Dan leidt de Nederlandse vennootschapsbelasting tot een concurrentieverstoring. Dat zouden we niet moeten willen en zal, als we dat gaan doen, er ook toe leiden dat bedrijven die een regionaal hoofdkantoor ergens willen vestigen eerder voor andere landen zullen kiezen. En dan heb ik toch liever dat ze naar Nederland komen…

En dan de liquidatieverliesregeling. Zoals we in Nederland willen voorkomen dat winsten die elders worden gerealiseerd hier nogmaals belast worden, willen we ook voorkomen dat groepsverliezen, die nooit vergolden kunnen worden omdat de betreffende entiteit geliquideerd wordt en dus niet meer bestaat en die verliezen dus per definitie nooit meer kan verrekenen, ook nooit meer op het aandeelhoudersniveau verrekend kunnen worden. Deze regeling is belangrijk voor onder andere oliemaatschappijen zoals Shell in de Tweede Kamer heeft toegelicht. Maar ik ken ook voldoende kleinere spelers in de markt die een zeperd opliepen bij allerlei avonturen in het buitenland en daarom blij waren dat verlies alsnog hier te hebben kunnen verrekenen. Dit kost Nederland veel geld. In de woorden van het FD:

‘Terwijl het breed gedeelde uitgangspunt dat ondernemingen hun verliezen ergens moeten kunnen verrekenen, wel ten koste gaat van de Nederlandse staatskas, zoals in het geval van Shell.’

En ook hierin heeft het FD gelijk. Maar de regeling past in het systeem om verliezen in een aangepaste versie (het gaat namelijk niet om de daadwerkelijk niet meer te verrekenen verliezen) alsnog te kunnen nemen. Eerder schreef ik in een opinie1 dat we wellicht een stuk vennootschapsbelastingopbrengsten missen maar daar staan heel veel andere opbrengsten tegenover. En laten we duidelijk zijn, we kunnen liquidatieverliezen alleen maar verrekenen met actieve Nederlandse winsten. En dus zou een buitenlands bedrijf dat met het oog op deze verrekenmogelijkheid naar Nederland komt, voldoende winsten moeten genereren om deze verliezen tegen af te zetten. We verliezen dus vennootschapsbelastingopbrengsten maar winnen loonbelastingopbrengsten en btw en nog veel meer. Dus waarom is het een doodzonde om breder naar dit pallet van kosten en baten te kijken?

Ten slotte meldt het FD nog iets over hoofdkantoorkosten. Een citaat:

‘Nederland gaat fiscaal ver om het multinationals naar de zin te maken. Dat kan hier en daar een onsje minder. Bijvoorbeeld door niet alleen de kosten die een hoofdkantoor maakt in rekening te brengen bij buitenlandse dochterbedrijven maar daar ook een winstopslag bovenop te zetten. Nederland doet dit niet, terwijl het wel kan volgens de bestaande internationale regels.’

Er wordt verondersteld dat Nederland nooit vereist dat er een winstopslag op de hoofdkantoorkosten komt die worden doorberekend naar de dochtervennootschappen. Een lezing van het laatste Besluit Verrekenprijzen laat zien dat dit niet juist is. Een citaat met betrekking tot dienstverlening in concernverband:

‘Bij deze aanpak (beloning gerelateerd aan kosten) zal in beginsel slechts sprake kunnen zijn van een arm’s length vergoeding als bij het bepalen van de vergoeding rekening is gehouden met een passende winstopslag. Alleen in specifieke situaties zoals ook beschreven in par. 7.37 van de OESO-richtlijnen kan er mogelijk reden zijn om van een winstopslag af te zien.’

Tot slot de vraag hoe nu verder? Het FD meldt hierover:

‘Een eenvoudige oplossing is er niet, zo lang er geen nieuw internationaal belastingstelsel komt waarin bedrijfswinsten en -verliezen wereldwijd tegen elkaar worden weggestreept. Dat wil echter niet zeggen dat regering en parlement met de armen over elkaar moeten blijven zitten.’

Maar waar is zo’n mondiaal systeem een oplossing voor? Een eerlijkere belastingheffing? Kijken we naar het deze week aangenomen systeem van de OESO 2 dan zien we dat de OESO weer terugkeert op het in 2013 ingezette pad van ‘taxation where value creation takes place’. Alle rechten liggen bij de staten en de multinationals kunnen in het stof bijten. Zo duidelijk is de gekozen oplossing (zijn er feitelijk meer) niet. En waar onduidelijkheid speelt, regeert het belastingconflict voor de multinational. En dat zijn niet alleen de Shells van deze wereld maar ook dat ene kleine productiebedrijf dat in twee andere landen actief is. En de EU? Een Europese oplossing is sowieso achterhaald als we kiezen voor de wereldwijde oplossing en is ook om vele andere redenen niet te prefereren. Wellicht is de enige echte oplossing dat we een wereldwijde belastingautoriteit krijgen (bijvoorbeeld via de Verenigde Naties) die belasting heft van alle bedrijven en de opbrengsten vervolgens verdeelt over de landen. Maar zoals een bekend Nederlands fiscalist ooit meldde, zou dat tevens het begin kunnen zijn van grote conflicten tussen de landen. En dan zijn we verder van huis dan ooit.

Hoe dan ook, laten we wat liever zijn voor de multinationals. We hoeven ze niet dood te knuffelen maar om nu te stellen dat we ze best een onsje minder kunnen knuffelen, veronderstelt dat we dat wel doen en dat lijkt me volstrekt niet aan de orde!

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
NLF-nummer
NLF Opinie 2019/27
Judoreg
NFB2514
Publicatiedatum
6 juni 2019

X