Direct naar content gaan

Samenvatting

X (bv; belanghebbende) vormt een fiscale eenheid (artikel 15 Wet VpB 1969) met A (bv) als dochtermaatschappij. A exploiteert een paaldansclub. A verkoopt haar onderneming voor € 500.000 aan E (bv). Daarnaast sluit A met E een huurovereenkomst met een looptijd van tien jaar voor € 650.000 per jaar ter zake van het pand waarin de paaldansclub is gevestigd.

Voor Hof Amsterdam was – voor zover in cassatie van belang – in geschil of in de hiervoor bedoelde, door E verschuldigde huurprijs betalingen voor aan de onderneming toe te rekenen goodwill zijn begrepen en, zo ja, wat de omvang is van dat bedrag en of ter zake daarvan uitstel van winstneming geoorloofd is. Het Hof ziet – hoewel partijen als onafhankelijke derden hebben gehandeld – aanleiding om van de overeengekomen huurprijs af te wijken. Het Hof stelt in goede justitie – en meer in overeenstemming met de economische realiteit – de (jaarlijkse) huurprijs vast op € 150.000. Het resterende bedrag kwalificeert als goodwill. Met Rechtbank Noord-Holland is het Hof van oordeel dat de contante waarde van de (uitgestelde) goodwill in één keer moet worden belast als verkoopwinst van de onderneming. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond en dat van X ongegrond, oordeelde het Hof.

X heeft cassatieberoep ingesteld.

Volgens de Hoge Raad heeft het Hof met zijn oordeel dat de overeengekomen prijzen niet zakelijk zijn, tot uitdrukking gebracht dat zowel de overeengekomen huur voor het pand als de overdrachtsprijs van de onderneming, elk voor zich, niet zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijk van elkaar handelende partijen. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat A en E bij het sluiten van het samenstel van de overeenkomsten als van elkaar onafhankelijke partijen hebben gehandeld, staat aan dat oordeel niet in de weg, aldus de Hoge Raad.

Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.

In het onderhavige arrest is de vraag aan de orde of een samenstel van transacties tussen onafhankelijke derden onzakelijke prijselementen in zich kan hebben, hoewel de totaalprijs daarvan zakelijk is. Specifiek gaat het om de vraag of de overeengekomen huur- en koopsom van de onderneming, afzonderlijk beschouwd, zakelijk zijn.

Zakelijke huurprijs en goodwill

De onderneming van A wordt verkocht aan de niet gelieerde E voor € 500.000. Het pand waarin de ondernemingsactiviteiten worden uitgeoefend wordt door A (onder)verhuurd aan E voor een bedrag van € 650.000 per jaar (looptijd tien jaar). A huurt dit pand van haar uiteindelijke aandeelhouders voor een zakelijke huurprijs van (slechts) € 72.822 per jaar. Omdat verkoper A en koper E niet gelieerde partijen zijn, is de totale transactie zakelijk. Het Hof stelt echter vast dat de huurprijs niet zakelijk is mede gelet op de huurprijs die A betaalt aan haar uiteindelijke aandeelhouders. Volgens het Hof omvat de huurprijs van € 650.000 per jaar daarom tevens goodwill. Met andere woorden, een deel van de verkoopprijs van de onderneming is volgens het Hof ‘verpakt’ in de huurprijs van het pand.

Metadata

Rubriek(en)
Vennootschapsbelasting
Belastingtijdvak
2007
Instantie
HR
Datum instantie
7 december 2017
Rolnummer
16/04243
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:3075
Auteur(s)
Lisanne Rijff
BDO/Tilburg University
NLF-nummer
NLF 2017/2970
Aflevering
21 december 2017
Judoreg
NFB1042
bwbr0002672&artikel=8,bwbr0002672&artikel=8&lid=1,bwbr0002672&artikel=8&lid=1,bwbr0002672&artikel=8,bwbr0011353&artikel=3.8

Naar de bovenkant van de pagina