Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Zelfstandigen leveren een belangrijke bijdrage aan de concurrentiekracht van onze economie en de regering vindt het dan ook belangrijk het (zelfstandig) ondernemerschap te ondersteunen. Zzp’ers moeten binnen de grenzen van wet- en regelgeving voldoende ruimte en vrijheid krijgen om hun onderneming tot volle potentie te ontwikkelen. Theo van Schendel concludeert dat de regering met de door haar voorgestelde wetgeving zzp’ers onvoldoende ruimte biedt om hun zelfstandig ondernemerschap te ontplooien. De te ver gaande administratieve verplichtingen – soms zelfs voor particulieren – trekken een te zware wissel op het geheel. De controledrang van de overheid overschaduwt een praktische en efficiënte wetsuitvoering. Het is hoog tijd voor veranderingen en voor fundamenteel andere keuzes. In een open brief aan de leden van de Staten-Generaal wordt een werkbaar alternatief aangedragen. Maar voor dat alternatief is politieke moed nodig. Echte moed voor echte innovatie in de 21e eeuw.

Aan de leden van de Staten-Generaal, Uw werk is door God gezegend. Althans, die wens spreken onze monarchen uit in hun Troonrede bij de opening van elk parlementair jaar. Zij wijzen u daarbij op uw speciale verantwoordelijkheid. Maar wat als de zegen niét van boven komt? Dan moeten wij stervelingen zelf aan de bak en onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Waarom deze open deur in een open brief? De reden is de ter internetconsultatie gepubliceerde conceptwetgeving die de maatschappelijke uitdaging van de arbeidsrechtelijke, fiscale en sociaalrechtelijke positie van zelfstandigen zonder personeel (zzp’er) en van schijnzelfstandigen moet aangaan. U heeft met deze driedimensionale uitdaging een zware taak.

De gepubliceerde conceptwetten zijn de Wet minimumbeloning zelfstandigen (WMZ) en de Wet op de zelfstandigenverklaring. Om er een drieluik van te maken, wordt een via een webmodule te verkrijgen opdrachtgeversverklaring voorgesteld die – aldus het kabinet –geen wettelijke grondslag behoeft. Het moet allemaal op 1 januari 2021 in werking treden ter vervanging van de grotendeels niet gehandhaafde Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). Na kennisname van de conceptwetteksten en van de toelichtingen, overheerste bij mij het gevoel dat niet God Zijn zegenend werk heeft gedaan, maar dat de duivel zich heeft uitgeleefd.

De media en professionals hebben zeer kritisch op de conceptwetgeving gereageerd. Zij wijzen met name op de onaanvaardbare administratieve gevolgen en op het niet afwachten van het rapport van de Adviescommissie Regulering van werk (Commissie-Borstlap), dat uiterlijk 1 februari 2020 wordt verwacht. In hun terechte reacties ontbreekt echter een alternatief. Ik draag wel een alternatief aan. Maar voor dat alternatief is politieke moed nodig. Echte moed voor echte innovatie in de 21e eeuw. Daarover later meer. Voor een goed begrip moet ik eerst de inhoud en de gevolgen van de conceptwetsvoorstellen met u bespreken. Voor de leesbaarheid heb ik een korte samenvatting van de conceptwetsvoorstellen verplaatst naar een bijlage, zie hieronder na ‘Conclusie en afronding’.

Beoordeling conceptwetsvoorstellen Wet minimumbeloning zelfstandigen (WMZ)

Ik meen dat een minimumtarief van € 16 per uur (sociaal minimum) een onvoldoende basis is om (startende) ondernemers voldoende overlevingskansen te bieden. Er is geen of onvoldoende rekening gehouden met de kosten van investeringen, van andere ondernemersrisico’s en van aansprakelijkheidsverzekeringen. Ook een minimumtarief op het niveau van het wettelijke minimumloon (€ 25) vind ik heden ten dage aan de magere kant. Welk tarief dan wel? Ik zoek aansluiting bij de gemiddelde arbeidskosten voor werkgevers, zoals gepubliceerd door het CBS.1
De gemiddelde arbeidskosten in alle economische sectoren zijn € 34,72 per gewerkt uur en € 29,36 per betaald uur. Een differentiatie naar sector zou mogelijk zijn, maar dat verdient niet de schoonheidsprijs van de eenvoud.

Onacceptabele administratieve lastenverzwaring

Ik verwijs naar de bijlage. De vastlegging van het aantal voorbereidingsuren, reisuren, feitelijk gewerkte uren en van de aan de opdracht toe te rekenen directe kosten kent zijn weerga niet. Zo nodig moeten deze uren en kosten ook nog worden gesplitst over meerdere opdrachten. Ik geef het u te doen. Het is allemaal disproportioneel en geboren vanuit controledrang en controledwang. De tijd die de zzp’er besteedt aan zijn administratie, scholing en acquisitie is in het conceptwetsvoorstel expliciet uitgesloten van de administratieplicht. Gelukkig maar...

Administratie particuliere opdrachtgevers

Zelfs particuliere opdrachtgevers ontspringen de dans niet. Zij moeten zeven jaar lang bescheiden en informatiedragers bewaren opdat kan worden gecontroleerd dat ten minste het minimumtarief van € 16 per uur is betaald. Waarom? Anders dan zakelijke opdrachtgevers kunnen particulieren niet door de gecontracteerde zzp’er op onderbetaling worden aangesproken.

U begrijpt dat ik mijn geest zag kruipen, als ik u vertel dat ik overweeg een zzp-hovenier de opdracht te geven mijn tuin te renoveren voor een vaste aanneemprijs. Wat haal ik op mijn dak? Als doekje voor het bloeden las ik in de conceptteksten dat bij algemene maatregel van bestuur een bedrag zal worden vastgesteld waarbeneden de particuliere opdrachtgever van zijn verplichtingen zal worden ontheven. Helaas ontbreekt in de toelichtingen elke indicatie van de hoogte van dit bedrag. Grenzen worden ver overschreden als particulieren met administratieve verplichtingen en bewaarplichten worden opgezadeld. Ik zou het nog vergeten, op het niet naleven van de WMZ-verplichtingen wordt voor particuliere opdrachtgevers een bestuurlijke boete voorgesteld van maximaal € 4.150. Elk verder commentaar is overbodig. De maximale boete voor zakelijke opdrachtgevers is € 83.000.

Wet op de zelfstandigenverklaring

Een uurtarief van ten minste € 75 – te vermeerderen met directe kosten – is een van de vele voorwaarden om een zzp’er fiscaal, sociaalrechtelijk en arbeidsrechtelijk uit te kunnen sluiten van het werknemerschap. Ook hier gelden dezelfde omvangrijke administratieve verplichtingen als in de WMZ.

Deze categorie zzp’ers is heel goed in staat haar eigen boontjes te doppen. Bij (stel) 30 declarabele uren per week en bij 50 weken levert het minimumuurtarief een bruto-omzet op van ten minste € 112.500, nog te vermeerderen met directe kosten. Onnodig belemmerend zijn de voorschriften dat een opdracht maximaal één jaar mag duren en dat dezelfde partijen pas weer een nieuwe overeenkomst van opdracht met zelfstandigenverklaring mogen aangaan na ommekomst van ten minste zes maanden. Opdrachten van langer dan één jaar zijn in de praktijk niet ongebruikelijk. In mijn alternatief – zie hierna – is een wettelijke regeling voor deze categorie zzp’ers overbodig.

De webmodule en de opdrachtgeversverklaring

Dit computersysteem is niet meer dan een hulpmiddel en geeft niet in alle gevallen duidelijkheid en zekerheid vooraf over de kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen de zzp’er en zijn of haar opdrachtgever. Dat kan ook niet. Daarvoor is de beoordeling van het wel of niet bestaan van een arbeidsovereenkomst (gezagsverhouding) te complex en te afhankelijk van de waardering van veel feiten en omstandigheden. De onvermijdbare en logische consequentie is dat de computer vier verschillende oordelen kan geven, waarvan er twee een voorwaardelijke zekerheid geven (dienstbetrekking en geen dienstbetrekking) en twee niet (‘indicatie dienstbetrekking’ en ‘geen oordeel’). De voorwaarde voor zekerheid is uiteraard dat de vragen in de webmodule naar waarheid zijn beantwoord en dat nadien ook dienovereenkomstig feitelijk wordt gewerkt. Interpretatieverschillen zijn gegarandeerd en daarmee is een weldadige bron van conflicten aangeboord.

Alternatief

Arbeidsrechtdeskundigen, fiscalisten, en sociaalverzekeringsspecialisten stoeien al decennialang met de driedimensionale uitdaging van de dienstbetrekking. En dat maatschappijbreed: ambtenaren belast met de wetsvoorstellen, andere burgers, rechters en politici. Ook de thans gepubliceerde wetsvoorstellen kunnen deze uitdaging niet aan. Waarom? We durven geen fundamenteel andere keuzes te maken. De invulling van het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking (met doorwerking naar het fiscale en het sociaalrechtelijke) is en blijft de uitkomst van een altijd arbitraire – en deels subjectieve – waardering van tal van feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang. Een holistische afweging is de thans gangbare terminologie. Hiermee is de gewenste en noodzakelijke duidelijkheid en zekerheid vooraf omtrent de kwalificatie van arbeidsrelaties een utopie. Achteraf weten we het allemaal beter. Een webmodule met multi-interpretabele vragen en antwoorden kan en zal daar geen verandering in kunnen aanbrengen.

In historisch perspectief was de 20e eeuw noodzakelijk om de in de 19e eeuw ontbrekende rechtsbescherming van werknemers recht te zetten. We leven inmiddels al twee decennia in de 21e eeuw. De maatschappij is veranderd met meer plaats voor het individu, voor individuele initiatieven en voor eigen vrijheid en verantwoordelijkheid. Het dienstbetrekkingenbegrip van de 20e eeuw past niet meer helemaal in de 21e eeuw.

Hoe dan wel? Opting-out

Het zou een liberaal grondrecht van elke burger moeten zijn om zelf te beslissen hoe hij of zij door het economische leven van het arbeidsproces gaat: als werknemer, als resultaatgenieter, als zelfstandig ondernemer, in een eenmanszaak of in het juridische omhulsel van een rechtspersoon. Burgers die de keuze willen maken om geen werknemer (meer) te zijn, moeten daarin niet door de overheid worden belemmerd. Integendeel. Die burgers gaan bij hun keuze niet over één nacht ijs. Zij nemen dat besluit pas, als zij menen hun eigen boontjes wel te kunnen doppen, geen behoefte (meer) hebben aan werknemersbescherming en meer kansen zien in een zelfstandig ondernemerschap.

Een alternatief is een ongelimiteerde mogelijkheid van opting-out door inschrijving in het Handelsregister als (btw-plichtige) zzp’er. Wie dat wil, moet zich aan het werknemerschap kunnen onttrekken. We hebben dan geen discutabele webmodule met een opdrachtgeversverklaring nodig. Een zelfstandigheidsverklaring is overbodig en opdrachtgevers en opdrachtnemers zijn bevrijd van beperkende voorschriften in het conceptwetsvoorstel, zoals de geldigheid van die verklaring van maximaal één jaar en de wachtperiode van zes maanden alvorens dezelfde opdrachtgever en opdrachtnemer een nieuwe overeenkomst van opdracht met zelfstandigheidsverklaring kunnen aangaan.

Tegenstanders

Binnen het socialistische gedachtegoed zal dit alternatief direct worden getorpedeerd. Een vrije keuze om geen werknemer meer te zijn, zou de solidariteit onder werknemers aantasten en de financiering van ons stelsel van werknemersverzekeringen (ZW, WW, WIA/WAO) ondergraven. Mensen met een vlekje blijven in het ‘sociaalrechtelijk gedekte gebied’ en de rest onttrekt zich aan het betalen van premies. Werkgevers nemen geen werknemers meer in dienst, maar bieden alleen werk aan goedkopere zzp’ers aan. Dit zijn begrijpelijke argumenten van tegenstanders.

Weerwoorden

Er past enige relativiteit. Het overgrote merendeel van alle werknemers zal niet ‘zo maar’ hun ontslagbescherming, hun inkomenszekerheid bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, hun cao-rechten, hun vakbondsondersteuning en (vooral) hun pensioenrechten opgeven. Wie dat wel doen? Degenen die kansen zien in een zelfstandig ondernemerschap en daarmee een betere economiemotor kunnen worden. Tegenstanders zullen ook opwerpen dat als het zelfstandig ondernemerschap achteraf toch niet is gelukt, de failliete zzp’er noodzakelijkerwijs moet terugvallen op de overheid (bijstand). Maar met werknemers is het na de WW-periode niet anders. De maximale duur van de WW-uitkering is thans 24 maanden. Daarna wacht óók hen de bijstand.

Bescherming van de onderkant van de arbeidsmarkt

Uitbuiting en moderne slavernij wil niemand, noch het risico dat werkgevers geen werknemers meer in dienst nemen en alleen met goedkopere zzp’ers in zee willen gaan. Het voorliggende conceptwetsvoorstel ‘WMZ’ tot invoering van een minimumtarief is hier in aanzet een adequaat wapen tegen. In mijn visie zijn dan wel cruciale aanpassingen noodzakelijk:

  • verhoog het minimumtarief van € 16 per uur (sociaal minimum) naar € 30 all-in. Elimineer dus de administratief belastende verhoging van het tarief met gespecificeerde directe kosten;
  • schrap alle administratieve verplichtingen die thans een controle mogelijk moeten maken op naleving van de WMZ. Als een zzp’er meent dat hij of zij is onderbetaald, is het aan hem of haar om de zakelijke opdrachtgever – zo nodig in rechte – daarop aan te spreken. De overheid hoeft daarbij geen partij te zijn.
Solidariteit en nog meer bescherming: arbeidsongeschiktheid

Een heikel punt was en is de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor en door zzp’ers. Ik begrijp dat slechts weinig zzp’ers deze particuliere verzekering afsluiten: veel te duur, nog afgezien van uitsluitingen op grond van medische gronden. Dan ligt hier een mooie taak voor de overheid. Breid de huidige WIA voor werknemers uit met een dekking voor arbeidsongeschikte zzp’ers ter grootte van in ieder geval het wettelijk minimumloon. Een soort implementatie van de vroegere Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Wie dat moet/kan betalen? Door de huidige basispremie voor de WIA (6,77%) tot het niveau van het wettelijk minimumloon (€ 21.433) ook te heffen bij zzp’ers. Een minimumtarief van € 30 per uur dekt deze premie.

Een hardnekkige onbillijkheid

In zowel de vroegere VAR-wetgeving, de huidige DBA-wetgeving als in de conceptwetsvoorstellen zit een naar mijn mening niet te rechtvaardigen onbillijkheid voor zzp’ers. Dat is de situatie waarin een bonafide persoon op verdedigbare gronden vooraf het standpunt innam dat hij inderdaad een zelfstandige ondernemer was, maar achteraf moet constateren dat toch sprake is van een dienstbetrekking. Hij betaalt dan geen belasting over zijn ‘winst’ (omzet minus zakelijke kosten), maar over zijn ‘omzet’. De loonbelasting kent namelijk geen aftrekbare kosten en in de inkomstenbelasting is alleen een aftrek mogelijk – onder voorwaarden – van de kosten van woon-werkverkeer met openbaar vervoer. Het loonbelastingregime kent wel het systeem van gericht vrijgestelde vergoedingen door werkgevers, welke vergoedingen expliciet vooraf moeten zijn afgezonderd van het belaste loon. En dat is nu precies iets wat facturerende ondernemers niet doen, ook (vermeende) zzp’ers niet. Zij brengen één prijs in rekening. Voor de niet-aftrekbaarheid van zakelijke kosten in deze situatie, bestaat naar mijn mening geen dragende rechtvaardiging. Deze belastingplichtige te goeder trouw zou zijn aangetoonde zakelijke kosten in aftrek moeten kunnen brengen. In mijn alternatief kan een onrechtvaardige fiscale behandeling zich niet voordoen.

Overigens, een senator heeft bij de totstandkoming van de DBA-wetgeving de staatssecretaris van Financiën op dit punt bevraagd. Hij werd met een kluitje het riet in gestuurd. De staatssecretaris antwoordde dat het DBA-wetsvoorstel geen verandering bracht in de fiscale behandeling onder het VAR-regime.2 Toen geen kostenaftrek voor vermeende zzp’ers, dan ook nu niet. Een onbillijkheid in de wet zou dus niet hersteld hoeven te worden, omdat die onbillijkheid er nu eenmaal in gebakken zit. Een rechtvaardige draagkrachtbelasting is dan ver weg. Dit is met name wrang omdat de VAR-wetgever zich van het onbillijke gevolg – belasting betalen over de omzet zonder enige kostenaftrek – niet bewust is geweest.

Conclusie en afronding

‘Zelfstandigen leveren een belangrijke bijdrage aan de concurrentiekracht van onze economie en de regering vindt het dan ook belangrijk het (zelfstandig) ondernemerschap te ondersteunen. Zij moeten binnen de grenzen van wet- en regelgeving voldoende ruimte en vrijheid krijgen om hun onderneming tot volle potentie te ontwikkelen’, aldus een passage in de toelichtingen bij de conceptwetsvoorstellen.

Ik concludeer dat de regering met de door haar voorgestelde wetgeving zzp’ers onvoldoende ruimte biedt om hun zelfstandig ondernemerschap te ontplooien. De te ver gaande administratieve verplichtingen – soms zelfs voor particulieren – trekken een te zware wissel op het geheel. De controledrang van de overheid overschaduwt een praktische en efficiënte wetsuitvoering. Het is hoog tijd voor veranderingen en voor fundamenteel andere keuzes.

Een alternatief is de politiek moedige keuze voor een ongelimiteerde opting-out. De burger die als zelfstandig eenmansondernemer door het economische leven wil gaan, moet zich zonder beperkingen aan het werknemerschap kunnen onttrekken. Ter bescherming van de onderkant van de arbeidsmarkt is een wettelijk minimumtarief een adequate maatregel. De bovenkant heeft geen bescherming nodig. Een opdrachtgeversverklaring op basis van een webmodule met multi-interpretabele vragen, dito antwoorden en vier verschillende uitkomsten – dus een bron van meningsverschillen en conflicten – is overbodig.

Ten slotte, ik plagieer de Koning met een deel van de slotzin in zijn jaarlijkse Troonrede en voeg er een passage aan toe.

‘Op u, leden van de Staten-Generaal, rust een speciale verantwoordelijkheid. U mag zich in uw werk gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen (…)’ bij het voorkomen van ambtelijke bureaucratie en onnodige administratieve rompslomp. Het eeuwige filosofische Panta Rhei verlangt dat u wetgeving laat mee-ademen met de veranderde en steeds veranderende samenleving, ook en vooral in de 21e eeuw.

BIJLAGE

Inhoud van de concept(wets)voorstellen

Wet minimumbeloning zelfstandigen (WMZ)

Deze wet introduceert een minimumtarief van € 16 per uur (exclusief btw) te vermeerderen met kosten die direct aan de opdracht zijn toe te rekenen, zoals vervoerskosten (woon-werkverkeer uitgezonderd). Materiaalkosten tellen mee voor de inkoopprijs van de zzp’er of de hogere aan de opdrachtgever gefactureerde prijs. Kosten die niet direct aan de opdracht zijn toe te rekenen zijn bijvoorbeeld acquisitie- en representatiekosten, administratiekosten, scholingskosten, verzekeringspremies, kosten van bedrijfsmiddelen en het mobieltje van de opdrachtnemer.

Het minimumtarief van € 16 per uur is gebaseerd op een beschikbaar netto-inkomen van € 12.336 per jaar, het niveau van het sociaal minimum. Er is rekening gehouden met een premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, met een WW-dekking van twee jaar en met een opslag voor algemene kosten van 15%. Zou worden uitgegaan van een beschikbaar netto-inkomen op het niveau van het wettelijk minimumloon, dan zou een minimumtarief van € 25 per uur de resultante zijn.

Niet alleen de uren besteed aan de feitelijke uitvoering van de opdracht tellen mee, maar ook voorbereidingsuren en reisuren (woon-werkverkeer weer uitgezonderd). Tijd besteed aan de ontwikkeling van een dienst zijn geen mee te tellen voorbereidingsuren, maar alleen indien deze dienst voor meerdere opdrachtgevers wordt of zal worden verricht. Zo nodig moeten kosten en tijd worden verdeeld over meerdere opdrachten, aldus deze wettekst:

‘8. Indien tegelijkertijd direct aan de opdracht toe te rekenen kosten worden gemaakt voor of direct aan de opdracht toe te rekenen tijd wordt besteed aan meerdere opdrachten, worden die kosten of wordt die tijd evenredig verdeeld over het aantal bestaande en te verwachten opdrachtgevers waarvoor die kosten worden gemaakt of waaraan die tijd wordt besteed, waarbij gekozen kan worden voor een andere verdeling dan een evenredige verdeling over het aantal opdrachtgevers indien dit voortvloeit uit het feitelijke beslag op kosten of tijd voor de verschillende opdrachtgevers.’ Administratie bij zakelijke opdrachtgevers

De zzp’er moet vóór het tekenen van de opdrachtovereenkomst en vóór hij aan de slag gaat, aan de opdrachtgever een schriftelijk en gespecificeerd overzicht verstrekken van:

  1. de te verwachten te besteden uren, inclusief voorbereidingstijd;
  2. de te verwachten directe kosten;
  3. het door de opdrachtgever verschuldigde bedrag; en
  4. met deze parameters kan de verwachte beloning per uur worden berekend ter toetsing aan de norm van € 16.

De zzp’er moet in principe maandelijks, maar in ieder geval driemaandelijks, factureren en daarbij de vier parameters specificeren, ook maandelijks. Wat de bestede tijd betreft, moet dat per dag en per uur, onder vermelding van de locatie waar de arbeid is verricht. Als de opdracht is afgelopen moet alles met bewijsstukken in zijn administratie worden opgenomen, alsmede – als hij meerdere opdrachtgevers heeft – een splitsing per opdrachtgever.

En de zakelijke opdrachtgever dan? Die moet de bestede tijd en de directe kosten toetsen opdat hij ten minste € 16 per uur betaalt. Betalen moet giraal. Uiteraard moet hij alles controleerbaar in zijn administratie vastleggen, inclusief, ‘(…) informatiedragers waaruit de betaling en het tijdstip van betaling blijkt’.

Administratie bij particuliere opdrachtgevers

Voor de zzp’er gelden dezelfde administratieve voorschriften als bij zakelijke opdrachtgevers, aangevuld met ‘(...) informatiedragers waaruit de betaling en het tijdstip van betaling blijkt’.

De particuliere opdrachtgever moet beschikken over ‘(...) informatiedragers waaruit de betaling en het tijdstip van betaling blijkt van ten minste het bedrag van de minimumbeloning en het bedrag van de direct aan de opdracht toe te rekenen kosten’. Ook moet deze particulier het door de zzp’er vóór aanvang van het werk verstrekte overzicht van uren en directe kosten gedurende zeven jaren bewaren.

Gevolgen bij onderbetaling

Zakelijke opdrachtgevers moeten bijbetalen, particuliere opdrachtgevers niet. Zakelijke opdrachtgevers zijn daarnaast hoofdelijk aansprakelijk voor de arbeidsbeloning van ten minste € 16 per uur. Zij kunnen zich bij niet-verwijtbaarheid wel disculperen, net zoals is geregeld in de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) bij onderbetaling van werknemers.

Wet op de zelfstandigenverklaring

Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen in hun overeenkomst een zelfstandigenverklaring opnemen. Zij zijn dan definitief gevrijwaard van loonheffingen, de zzp’er is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen (ZW, WW, WIA/WAO) en het arbeidsrecht mist toepassing. De voorwaarden zijn:

  • De zzp’er is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en het inschrijvingsnummer wordt vermeld in de zelfstandigenverklaring/overeenkomst van opdracht.
  • Dit document of deze documenten worden ondertekend en gedateerd vóór aanvang van de werkzaamheden.
  • Partijen verklaren dat zij niet de bedoeling hebben een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW te sluiten.
  • De overeenkomst van opdracht duurt maximaal één jaar (‘toepassingsperiode’):
    • loopt een overeenkomst van opdracht voor de duur van – bijvoorbeeld – zes maanden uit, dan is de zelfstandigenverklaring met ingang van maand zeven niet meer geldig;
    • partijen kunnen dit voorkomen door hun overeenkomst/zelfstandigenverklaring tijdig aan te passen.
  • Na beëindiging van een overeenkomst van opdracht kan pas na zes maanden een nieuwe overeenkomst met zelfstandigenverklaring tussen dezelfde opdrachtgever en de zzp’er worden overeengekomen.
  • De arbeidsbeloning moet ten minste € 75 per uur bedragen, vermeerderd met kosten die direct aan de opdracht zijn toe te rekenen. Er moet worden betaald binnen dertig dagen na de factuurdatum.
  • Er gelden tal van administratie- en bewaarplichten voor de opdrachtgever en de zzp’er, zodat de Inspectie SZW kan toetsen of aan alle voorwaarden is voldaan (urenregistratie en specificatie van directe kosten).
De webmodule en de opdrachtgeversverklaring

De invoering van een webmodule en de opdrachtgeversverklaring behoeven volgens het kabinet geen wettelijke grondslag. De onverplichte webmodule moet hulp bieden bij de fiscale en sociaalrechtelijke kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en zzp’er. Het computersysteem – niet de Belastingdienst of het UWV – kan na beantwoording van de vragen tot vier oordelen komen:

  • dienstbetrekking;
  • geen dienstbetrekking;
  • indicatie dienstbetrekking;
  • geen oordeel.

Als de vragen naar waarheid zijn ingevuld en als dienovereenkomstig wordt gewerkt, geeft het computeroordeel ‘Geen dienstbetrekking’ partijen zekerheid dat geen loonheffingen zijn verschuldigd en dat er geen verzekeringsplicht is voor de werknemersverzekeringen. Het oordeel ‘Dienstbetrekking’ geeft ook duidelijkheid. De andere twee oordelen laten de onduidelijkheid bestaan.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
NLF-nummer
NLF Opinie 2020/1
Judoreg
NFB2963
Publicatiedatum
6 januari 2020

X