Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(2)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten(1)
  • Jurisprudentie(112)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur(10)
  • Recent(9)
  • Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)

X (belanghebbende) is sinds 1 oktober 1998 in dienstbetrekking bij A (bv).

Op 21 oktober 2008 heeft X 1.558 aandelen (4,9%) in A gekocht van B (bv). Een gedeelte van de koopsom werd schuldig gebleven en er werd een rentepercentage van 6,5% afgesproken.

Op 24 april 2012 heeft X zijn 1.558 aandelen in A verkocht aan C (bv) voor een totaalprijs van € 330.000. Daarvan is € 130.000 direct voldaan en het restant van € 200.000 is schuldig erkend. Er is geen rentevergoeding bedongen, tenzij de koper verzaakt in zijn aflossingsverplichting. In dat geval is er een rentevergoeding overeengekomen van 8%. De laatste termijn is, in overeenstemming met de overeengekomen aflossingsverplichting, betaald in januari 2016.

A heeft op 26 februari 2017 een bedrag van (bruto) € 25.000 aan X uitgekeerd.

X betoogt in deze procedure dat dit bedrag ten onrechte in aanmerking is genomen als loon uit dienstbetrekking. Hij stelt dat sprake is van een rentevergoeding die betrekking heeft op de geldlening die verband houdt met de verkoop van zijn aandelen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een verband met de dienstbetrekking en dat de uitkering terecht aangemerkt is als loon. Als er al een rentevergoeding verschuldigd zou zijn geweest, dan was deze verschuldigd door C en niet door de werkgever van X. Desgevraagd heeft X hiervoor geen verklaring kunnen geven.

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
14 december 2021
Rolnummer
20/8928
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2021:6392
NLF-nummer
NLF 2022/0031
Aflevering
6 januari 2022
bwbr0002471&artikel=10,bwbr0011353&artikel=3.81

X