Direct naar content gaan

Samenvatting

In zowel het belastingprocesrecht als in het strafprocesrecht staat de rechtzoekende als procespartij tegenover de Inspecteur respectievelijk de officier van justitie als procespartij. De Inspecteur respectievelijk de officier van justitie is echter tevens verantwoordelijk voor de samenstelling en overlegging van het procesdossier. In dit artikel zal Fleur Kossen nader ingaan op artikel 8:31 Awb en artikel 359a Sv., de vraag of deze artikelen de rechtzoekende voldoende rechtsbescherming bieden en zal ze de geboden rechtsbescherming in beide rechtsgebieden met elkaar vergelijken.

NLF-W artikel

Een vergelijking tussen geboden bescherming door de belastingrechter en door de strafrechter.

1. Inleiding

In zowel het belastingprocesrecht als in het strafprocesrecht staat de rechtzoekende in een verticale verhouding tegenover de overheid voor de rechter. De rechtzoekende staat als procespartij tegenover de Inspecteur respectievelijk de officier van justitie als procespartij. Dit wringt, nu de Inspecteur respectievelijk de officier van justitie tevens verantwoordelijk is voor de samenstelling en overlegging van het procesdossier.

Zowel de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) kent een bepaling die voorziet in het bieden van rechtsbescherming indien de Inspecteur of de officier van justitie zich niet aan de regels houdt bij het samenstellen van het procesdossier. De vraag die zich in dezen opwerpt, is of de rechtsbescherming die de rechtzoekende wordt geboden in het belastingrecht niet op een dusdanige wijze afwijkt van de rechtsbescherming die de rechtzoekende wordt geboden in het strafrecht dat in één van beide rechtsgebieden de rechtsbescherming onder de maat is. Immers, gelet op het feit dat in beide rechtsgebieden sprake is van een verticale verhouding tussen burger en overheid – de belastingplichtige tegenover de Inspecteur en de verdachte tegenover de officier van justitie – zou een dusdanige afwijking betreffende de in beide rechtsgebieden geboden rechtsbescherming ontoelaatbaar moeten worden geacht. Daarbij zij opgemerkt dat een mogelijke conclusie ook zou kunnen zijn dat de regels in beide rechtsgebieden niet of nauwelijks van elkaar afwijken, maar dat de geboden rechtsbescherming op beide gebieden ondermaats is.

Log hier in om verder te lezen

Metadata

Rubriek(en)
Formeel belastingrecht
Auteur(s)
Fleur Kossen
FT-advocaten / Radboud Universiteit Nijmegen
NLF-nummer
NLF-W 2021/52
Judoreg
NFB4701
Publicatiedatum
10 december 2021
bwbr0005537&artikel=8:27,bwbr0005537&artikel=8:29,bwbr0005537&artikel=8:31,bwbr0005537&artikel=8:42,bwbr0005537&artikel=8:47,bwbv0001000&artikel=6

Naar de bovenkant van de pagina