Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

In deze zaak houdt partijen verdeeld of X (belanghebbende) recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek in verband met onderhoudskosten voor zijn monumentenpand.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt voorop dat uitsluitend uitgaven voor aftrek in aanmerking komen die in redelijkheid zijn gemaakt en die kwalificeren als onderhoudskosten die ertoe hebben gestrekt dat het monumentenpand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat wordt hersteld of gehouden (artikel 6.31, lid 4, Wet IB 2001).

Uitgaven voor verbetering van een monumentenpand zijn niet aftrekbaar. Van uitgaven voor verbetering is sprake wanneer de werkzaamheden dienen om aan het gebouw, in vergelijking met de toestand waarin het zich bij de stichting of na latere verandering bevond, een wezenlijke verandering aan te brengen, waardoor het naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat (vgl. HR 17 maart 1954, 11.676, ECLI:NL:HR:1954:AY2422). Kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen zijn ook niet aftrekbaar, bijzondere omstandigheden daargelaten (vgl. HR 5 oktober 1988, 25.615, ECLI:NL:HR:1988:ZC3910).

Al met al komt de Rechtbank in goede justitie tot het oordeel dat de nog in geschil zijnde uitgaven in verband met vloeren, plafonds en elektra, voor de helft aftrekbaar zijn. De uitgaven voor het binnenschilderwerk komen in het geheel niet voor aftrek in aanmerking. Dit betreft namelijk onderhoud dat in huurverhoudingen door de huurder dient te worden verricht en bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of aannemelijk geworden.

Het beroep is gegrond.

Metadata

Rubriek(en)
Inkomstenbelasting
Belastingtijdvak
2017
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum instantie
22 maart 2024
Rolnummer
23/32
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:1990
NLF-nummer
NLF 2024/0858
Aflevering
9 april 2024
bwbr0011353&artikel=6.31,bwbr0011353&artikel=6.31

Naar de bovenkant van de pagina