Direct naar content gaan

Gerelateerde content

  • Wet en parlementaire geschiedenis
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent

Samenvatting

De inspecteur heeft de verschuldigde bpm na een op 6 juli 2011 ingediende aangifte vastgesteld op een bedrag van € 26.532.
De verschuldigde bpm is voldaan.
Namens de belastingplichtige heeft een gemachtigde tegen de voldoening bezwaar gemaakt op de grond dat artikel 10, lid 2, van de Wet BPM in strijd is met het recht van de Unie.
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7393) heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, de voldane bpm met een bedrag van € 3.254 verminderd en terugbetaald, en daarbij een proceskostenvergoeding van € 218 toegekend.
Volgens de belastingplichtige dient de inspecteur een adequate rentevergoeding te vergoeden over de tijd dat het geld ten onrechte onder zijn beheer is geweest.
Hof Den Bosch heeft deze stelling van de belastingplichtige niet behandeld.
Dat is onjuist, oordeelt de Hoge Raad.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat de belastingplichtige deze grief uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken.
Het Hof had niet aan deze grief voorbij mogen gaan omdat rente, berekend naar de toepasselijk rentevoet als bedoeld in de AWR, moet worden vergoed over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling van de onverschuldigde bpm. Dat brengt het arrest Irimie mee (HvJ 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250).
De inspecteur moet de rente alsnog vergoeden.
Het cassatieberoep is gegrond.

Metadata

Belastingtijdvak
14 juli 2011 >
Instantie
HR
Datum instantie
19 december 2014
Rolnummer
13/06055
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:3606

Naar de bovenkant van de pagina