Direct naar content gaan

Gerelateerde content

Samenvatting

Het Erasmus-programma (EuRopean Action Scheme for the Mobility of University Students) is geïnspireerd op een periode tijdens de Renaissance waarin studenten en intellectuelen zich vrij in Europa konden bewegen. Het is daarom vernoemd naar de filosoof, filoloog, theoloog en humanist Erasmus van Rotterdam (1469‑1536) die, omdat hij zich een wereldburger voelde, in verschillende regio’s van Europa heeft gewoond en gewerkt. Erasmus was namelijk van mening dat alleen de banden die hij onderhield met andere landen hem de kennis, ervaring en ideeën verschaften die het onderwerp waren van zijn onderzoek.

Sinds de start ervan in 1987 heeft het Erasmus-programma verschillende generaties jonge studenten in staat gesteld om zich vrij binnen de Europese Unie te bewegen voor onderwijsdoeleinden. Aldus heeft het bijgedragen tot de toenadering tussen de volkeren van de Unie. Het programma heeft ook de weg vrijgemaakt voor het Europa van het onderwijs, een onlosmakelijk deel van het Europa van de burgers en vervolgens van het burgerschap van de Unie. Vandaag draagt het Erasmus+-programma bij tot samenwerking van de Unie op de sleutelgebieden onderwijs en opleiding, die nauw verbonden zijn met de economische en sociale ontwikkeling van de Unie, en tot bevordering van de waarden van de Unie overeenkomstig artikel 2 VEU. In de toekomst moet dit programma de mobiliteit van studenten blijven bevorderen als een doelstelling van algemeen belang en daarnaast ook de waarden van de Unie blijven consolideren.

In de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie heeft een Kroatische onderdaan, die voltijds student was, in het kader van het Erasmus+-programma van een Finse universiteit mobiliteitssteun ontvangen voor een studieverblijf van vijf maanden in Finland tijdens het academiejaar 2014‑2015. De ontvangst van deze steun heeft gevolgen gehad voor de berekening van de inkomstenbelasting van zijn moeder, aangezien de in de nationale wettelijke regeling vastgestelde inkomensgrens werd overschreden en de moeder, die in Kroatië in loondienst werkt, als belastingplichtige haar recht verloor om gebruik te maken van de maatregel van sociaal beleid die bestaat in de verhoging van de basisaftrek voor een ten laste komend kind.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de de Ustavni sud Republike Hrvatske (grondwettelijk hof, Kroatië) betreft in wezen de vraag of het Unierecht zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke rekening wordt gehouden met de mobiliteitssteun die in het kader van het Erasmus+-programma is ontvangen door een kind dat ten laste komt van een belastingplichtige, wanneer dit nadelige gevolgen heeft bij de vaststelling van het bedrag van de basisaftrek waarop de belastingplichtige ouder recht heeft bij de berekening van zijn inkomstenbelasting.

A-G Szpunar geeft het HvJ in overweging om de vragen als volgt te beantwoorden:

Artikel 21 VWEU, gelezen in het licht van artikel 165, lid 2, tweede streepje, VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die, om het bedrag van de basisaftrek te bepalen waarop een belastingplichtige ouder recht heeft voor een ten laste komend kind, rekening houdt met de steun voor onderwijsmobiliteit die het kind heeft ontvangen in het kader van het Erasmus+-programma, met als gevolg dat bij de berekening van de inkomstenbelasting het recht op verhoging van die aftrek verloren gaat.

Metadata

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Belastingtijdvak
2014
Instantie
A-G HvJ
Datum instantie
4 juli 2024
Rolnummer
C-277/23
ECLI
ECLI:EU:C:2024:583r
NLF-nummer
NLF NLF
bwbv0001506&artikel=165,bwbv0001506&artikel=21

Naar de bovenkant van de pagina