Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(14)
  • Commentaar NLFiscaal
  • Literatuur
  • Recent(1)

X (belanghebbende) is eigenaresse van een onroerende zaak (hierna: het object). Het gaat om een souterrain, benedenverdieping, eerste verdieping en tuin. De WOZ-waarde van het object is per waardepeildatum 1 januari 2017 en 1 januari 2018 vastgesteld op respectievelijk € 590.000 en € 613.000.


X betoogt in deze procedure onder meer dat het object ten onrechte als woning is aangemerkt. Voor de vraag of het object terecht is aangemerkt als woning is het bestemmingsplan bepalend dat op 16 mei 2018 onherroepelijk is geworden. Partijen hebben niet betwist dat de daarin opgenomen bestemming ook op 1 januari 2018 bepalend was voor de waarde van het object.


De bestemming is niet voor alle ruimten binnen het object hetzelfde. Volgens Rechtbank Amsterdam heeft de Heffingsambtenaar ten onrechte geen rekening gehouden met de verplichte exploitatie van een bedrijf of winkel in een deel van het object. De Rechtbank acht het aannemelijk dat die omstandigheid de waarde van het object drukt. Beide partijen hebben de waarde van het object niet aannemelijk gemaakt. Daarom stelt de Rechtbank, rekening houdend met de verplichte exploitatie van een bedrijf of winkel op de begane grond, de waarde in goede justitie vast op € 550.000 (kalenderjaar 2018) en € 575.000 (kalenderjaar 2019).

Rubriek(en)
Lokale heffingen
Belastingtijdvak
2018-2019
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum instantie
23 juli 2021
Rolnummer
20/2704;20/2705
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2021:4742
NLF-nummer
NLF 2021/2149
Aflevering
11 november 2021
bwbr0007119&artikel=18&lid=3

X