Gerelateerde content
    • Wet en parlementaire geschiedenis(1)
  • Internationale regelgeving
  • Lagere regelgeving
  • Besluiten
  • Jurisprudentie(3)
  • Commentaar NLFiscaal(1)
  • Literatuur
  • Recent(1)

Vof X (belanghebbende) dreef in de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 mei 2014 een wasserijonderneming. De wasserij had verschillende klanten, waaronder hotels, restaurants en linnenverhuurbedrijven, voor wie zij linnengoed reinigde, streek en vouwde. Naar aanleiding van een controle door de Inspectie SZW en de Belastingdienst bij de wasserij van X is een strafzaak gestart en is een naheffingsaanslag loonheffingen van € 400.989 en boetebeschikking van € 198.046 opgelegd.


In beroep zijn nog twee correcties in geschil. Het betreft een correctie inzake gebruteerde loonheffingen voor twee medewerkers. Hierbij is artikel 30a Wet LB 1964 toegepast. Verder betreft het een branchecorrectie loonheffingen (aandeel loonkosten 30% van omzet). X stelt kort gezegd dat de door de Inspecteur gegeven schattingen van de niet aangegeven bedragen niet redelijk zijn. Niet betwist wordt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de schattingen over de onderhavige tijdvakken redelijk zijn. Met al hetgeen X heeft aangevoerd heeft zij niet overtuigend aangetoond dat de bedragen aan na te heffen loonheffingen te hoog zijn berekend. Ten aanzien van de boetes heeft de Inspecteur op de zitting verklaard dat deze vernietigd dienen te worden, omdat de kennisgeving van de boetes op 31 oktober 2017 verstuurd is, terwijl de vof al in 2014 ontbonden was.

Rubriek(en)
Loonbelasting
Belastingtijdvak
1 maart 2012 t/m 31 mei 2014
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum instantie
7 september 2021
Rolnummer
19/5221
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:9965
NLF-nummer
NLF 2021/2190
Aflevering
18 november 2021
bwbr0002471&artikel=30a

X